Houd liberalisering in toom

Secretaris-generaal Oosterwijk van het ministerie van Economische Zaken pleit in zijn nieuwjaarsartikel in het economentijdschrift ESB voor een verdere liberalisering van de Nederlandse economie (NRC Handelsblad, 12 januari). Volgens hem levert meer marktwerking meer welvaart en meer werkgelegenheid op.

Dat kan zo zijn, maar zeker is ook dat verdere liberalisering meer sociale ongelijkheid met zich zal meebrengen. Niet alle Nederlanders zullen in gelijke mate profiteren van de eventueel toenemende welvaart. Een gecontroleerde liberalisering die rekening houdt met de effecten op sociale ongelijkheid valt daarom te verkiezen boven het unverfroren bepleiten van de zegeningen van marktwerking.

Uit de cijfers blijkt dat sinds de omslag van het Nederlandse economisch beleid in het midden van de jaren tachtig in de richting van liberalisering, de inkomensongelijkheid over de hele linie al met zo'n 25 procent is toegenomen. Een belangrijke oorzaak daarvan is onder meer de privatisering van sociale zekerheid. De groepen die daarvan het meest de dupe zijn, zijn de niet-werkenden en laagopgeleide werknemers. Diegenen die het meest profiteren van toegenomen inkomensongelijkheid zijn de hoogopgeleiden en de groep die door sommige sociale wetenschappers wordt aangeduid als 'functionarissenelite'. Tot deze 'relatief nieuwe' groep behoren onder andere de managers van de grote bedrijven en directeuren van zorginstellingen, woningcorporaties en omroepen.

De privatisering van de sociale zekerheid heeft er ook toe geleid dat het aandeel van de private uitgaven voor sociale zekerheid door bedrijven en individuele burgers is toegenomen. De recente privatisering van de ziektekostenverzekeringen laat zien dat de inkomenseffecten daarvan voor sommige groepen nu en op termijn ronduit slecht uitvallen.

Met de toename van inkomensongelijkheid en privatisering van publieke uitgaven schaart Nederland zich in het rijtje van welvarende landen, dat wordt aangevoerd door de Verenigde Staten. Ook in dat land is de ongelijkheid toegenomen, mede in combinatie met een scherpe daling van de publieke sociale uitgaven.

Het pleidooi van Oosterwijk komt niet uit de lucht vallen en heeft van alles te maken met het streven van ons land een mondiaal concurrerende kenniseconomie te maken. Daar horen liberalisering en marktwerking bij. Tot op bepaalde hoogte hebben we daar zeker baat bij, maar de vraag die eerst moet worden beantwoord is hoeveel sociale ongelijkheid wij uiteindelijk als samenleving acceptabel vinden.

Te meer omdat verdere liberalisering van de economie en het streven naar een mondiaal concurrerende kenniseconomie niet alleen bijdragen aan een toename van de inkomensongelijkheid, maar ook aan andere vormen van sociale ongelijkheid zoals: afnemende kansen van laagopgeleiden op de arbeidsmarkt, meer baaninstabiliteit van vooral jongeren en ouderen, meer gevoelens van onveiligheid in een complexer wordende wereld en op termijn een verdere privatisering van sociale zekerheid.

Een meer gecontroleerde liberalisering van de economie houdt vooraf al rekening met de effecten ervan op inkomensongelijkheid en andere vormen van sociale ongelijkheid.

Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat minder snel wordt besloten tot privatisering van onderdelen van het stelsel van sociale zekerheid, dat meer kansen worden gecreëerd voor levenslang leren en dat de toename van baaninstabiliteit wordt opgevangen door voorzieningen die ervoor zorgen dat werknemers niet lang werkloos hoeven te zijn en na ontslag snel weer aan de slag kunnen in een vergelijkbare of beter betaalde baan.

Erik de Gier is directeur van het ITS - Radboud Universiteit Nijmegen. Het ITS organiseert op 19 januari een symposium over kenniseconomie en nieuwe sociale ongelijkheden.