Hoop voor de hersenen

Een depressieve patiënt, een schizofreen, een studente met dwanggedrag, een autist, een oude man met Alzheimer en een cocaïneverslaafde. Op die patiënten bouwt René Kahn, hoogleraar psychiatrie aan het Universitair Medisch Centrum in Utrecht, een hersenboek “over de smalle grens tussen normaal en abnormaal'.

Ieder hoofdstuk begint en eindigt met één van de patiënten. Ze komen op spreekuur, of worden opgenomen, ze herstellen moeizaam of verglijden langzaam in hun dementie. Kahn ziet de schizofrene patiënt uit zijn begintijd als psychiater jaren later terug als zwerver in een hoekje op het Centraal Station.

Toch brengt Kahn een hoopvolle boodschap. “Wij beïnvloeden onze omgeving door gebruik te maken van onze hersenen. En andersom: de omgeving verandert onze hersenen.' Vanwege die flexibiliteit en beïnvloedbaarheid kunnen zieke hersenen weer gezond worden, schrijft Kahn.

In principe heeft hij groot gelijk, de hersenen zijn veel plastischer dan in het grootste deel van de vorige eeuw werd gedacht. Maar bij de patiënten in het boek - en in de psychiatrische praktijk - is van die toegenomen kennis nog niet veel te merken. Veel psychiatrische patiënten krijgen dezelfde ziekte keer op keer (depressie bijvoorbeeld), zijn chronisch ziek (schizofrenie, manische depressie), of lijden aan niet te stoppen ziekten (Alzheimer).

Kahn koppelt veranderingen in de geest aan hersendelen en moleculen, waarmee hij laat zien dat psychische ziekten allemaal “gewone' lichamelijke aandoeningen zijn. Net zoals bij diabetes en reuma. Die psychiatrische ziekten zijn terug te vinden in krimpende hersendelen (de hippocampus, bij zowel depressie als Alzheimer), extra actieve hersendelen, of moleculen die boodschappen overbrengen binnen de hersenen (dopamine bij verslaafden) of van hersenen naar het lichaam. Kahn staat in de traditie die de in de Verlichting ontstane scheiding tussen lichaam en geest probeert op te heffen. Daar heeft de hele maatschappij last van, het spraakgebruik is doordrongen van zwevende geesten die eigenlijk domweg vastzitten in zenuwcelnetwerken en in elektrische stroompjes en boodschappermoleculen door hersenen en lichaam razen.

Onze hersenen is een helder boek met een optimistische in- en uitleiding. Kahn legt veel uit. Minpunt is de niet altijd even elegante taalgebruik. Twee voorbeelden: 'En toch wordt niet iedereen verslaafd', schrijft Kahn, waar we in het Nederlands over het woord “raakt' beschikken. Net over de grens van goed en fout is: 'Na de operatie herstelden de ratten zich volledig.'

Verhullende taal is er ook. Kahn beschrijft veel proefdieronderzoek. Dat moet wel, want bij levende mensen zijn er nog maar kort en beperkt mogelijkheden om de plasticiteit van de hersenen te bestuderen. Veel dieren ondergaan dus een experiment en worden meteen daarna gedood om hun hersenen te bestuderen. Over het onderzoek naar kanariezang schrijft hij: 'Eenentwintig (kanaries) die in april waren geboren, werden in aparte kooitjes geplaatst. Bij negen van hen werden in april van het jaar daarop de hersenen onderzocht. De hersenen van de overige twaalf kanaries werden in september van datzelfde jaar onder de microscoop gelegd.' In Kahns boek sterft geen dier, en dat is niet de praktijk in het psychiatrisch proefdieronderzoek.

René Kahn: Onze hersenen. Balans, 291 blz. euro 18,50

    • Wim Köhler