Hé, opa's muziek is op tv

Alan Lomax legde de zwarte muziek uit de Verenigde Staten op de band vast, om te voorkomen dat die zou verdwijnen. Zonder hem hadden de Beatles nooit bestaan.

29 Oct 1961 --- Alan Lomax is one of these rare persons who refuse to remain in a rut, although it may be lined with gold. Lomax with his father, John Allan Lomax, pioneered the recording of authentic folk music, now wants to branch out and do documentary films. --- Image by © Bettmann/CORBIS Bettmann / Corbis

“Goedemiddag mevrouw Carter, u spreekt met Anna Lomax Chairetakis. Ik vroeg me af, heeft uw man in 1959 in Parchman Farm, het strafkamp in Mississippi gezeten?“

Met begrijpelijke achterdocht reageerde Rosie Lee Carter, dominee te Chicago, vier jaar geleden op dit merkwaardige telefoontje. Lag haar 76-jarige man net in het ziekenhuis, werd zij opeens met zijn criminele verleden geconfronteerd. Niet bepaald de beste introductie, gaf Lomax Chairetakis later toe. Terwijl ze toch met een blijde boodschap belde.

Toen de Afro-Amerikaanse landarbeider James Carter bijna vijftig jaar geleden wegens diefstal in het beruchte Parchman-werkkamp zat, kwam op een dag een grote, enthousiaste blanke langs met een nog veel grotere bandrecorder. Gevangenisliederen wilde hij horen. Met een groep andere gevangenen zong Carter voor zijn microfoon Po' Lazarus, een negentiende-eeuws werklied over een crimineel die wordt doodgeschoten op de vlucht. De gevangenen in hun zwart-wit gestreepte kielen begeleidden hun ruwe samenzang ritmisch door met bijlen hout te hakken. “The Axe Gang' werd deze afdeling van het strafkamp genoemd. Kamp B, Afdeling Bijlen.

De grote enthousiaste blanke man pakte zijn bandrecorder in, bedankte de gevangenen en verdween uit Carters leven. Nu was het februari 2002 en werd Carter opeens benaderd door een dame die zei de dóchter van die blanke man te zijn. Er was een speelfilm gemaakt O Brother, Where Art Thou? (door Joel en Ethan Coen, 2000) en die film opende met Po' Lazarus. Van de soundtrack werden meer dan vijf miljoen exemplaren verkocht. Van de zanger was echter niet meer dan de naam bekend, en dat hij in 1959 in Parchman zat.

Anna Lomax Chairetakis, beheerder van het liederenarchief van haar vader, de beroemde volkskundige Alan Lomax, ging op speurtocht naar James Carter (“O Carter, where art thou?') en vond hem in Chicago. Niet veel later overhandigde ze hem in zijn huiskamer een platina plaat en een cheque van 20.000 dollar, een voorschot dat later waarschijnlijk met nog een nulletje werd aangevuld. De hoogbejaarde James Carter verscheen een week later ook op de uitreiking van de Grammy Awards, de belangrijke muziekprijzen waarvan er eentje naar O Brother Where Art Thou? ging. Tegen The New York Times zei hij: “Leuk hoor, al die aandacht, maar nu wil ik gewoon weer door met mijn leven. Ik kan me Po' Lazarus nauwelijks herinneren... I sang that a long time back.“

Een straatarme zwarte crimineel die opeens vijf miljoen platen verkoopt. Het zal de Texaanse volkskundige Alan Lomax (1915-2002) plezier hebben gedaan. Zijn doel in het leven was immers om een stem te geven aan hen die geen stem hebben, om de bedreigde volkskunst te behoeden tegen de dominante massacultuur. Volgende week wordt in Washington een symposium gehouden over zijn leven en werken.

“Songhunter' Lomax, werkzaam voor de Amerikaanse Library of Congress, nam vanaf de jaren dertig naar schatting meer dan tienduizend liedjes op van arbeiders in Amerika, de Caraïben, Groot-Brittanië, Spanje, Italië en elders. Zijn belangrijkste werk was het opnemen en verspreiden van de zwarte muziek, blues, gospel, uit het zuiden van de Verenigde Staten, waarmee hij een enorme invloed had op de ontwikkeling van de popmuziek. Hij leerde de Amerikanen hun eigen muziekcultuur kennen en waarderen. Om met popmusicus Brian Eno te spreken: “Welke lijn je ook door het hele veld van de populaire muziekcultuur trekt, je stuit altijd op Alan Lomax, waarschijnlijk op verschillende plaatsen. Zonder hem zouden er waarschijnlijk geen blues explosion zijn geweest, geen R&B-beweging, geen Beatles, geen Stones, geen Velvet Underground. Hij fungeerde als pijpleiding waardoor de unieke rijkdom en passie van Afrikaans-Amerikaanse muziek in het vruchtbare begin de westerse popmuziek binnenstroomde.“

Een van die Lomaxlijnen: Alan en zijn vader John Lomax ontdekten de blueszanger Lead Belly in een gevangenis en maakten hem tot een grote bluesster. In Liverpool was een muzikant die geïnspireerd door Lead Belly een lokale blues-variant ontwikkelde: de skiffle. Een van de vele skifflebandjes die vervolgens opkwamen was de Quarry Men. Later werd de Quarry Men omgedoopt in the Beatles. Andere Lomaxlijn: in de Verenigde Staten veroorzaakten de elpees met volksmuziek die Lomax samenstelde verschillende folk revivals. Lomax was de eerste die folkzanger Woody Guthrie opnam, liedjes die werden verslonden door een jongen die Robert Zimmerman heette. Artiestennaam: Bob Dylan. Verder zijn er veel directe Lomaxlijntjes: veel van Lomax' werk werd later opgenomen door beroemde popsterren, van The Beach Boys (Sloop John B. ) en The Animals (House of the Rising Sun) tot verklaarde Lomaxers als Ry Cooder (Bourgeois Blues, Jesus on the Mainline, etc.)

Veldreis

In de zomer van 1933 ging de Texaan Alan Lomax voor het eerst mee met zijn vader, de volkskundige John Lomax, op een veldreis door het zuiden van de Verenigde Staten. De bandrecorder was nog niet uitgevonden, dus gebruikten ze wassen rollen die ze van Thomas Edison hadden gekregen. Later werden deze vervangen door aluminium platen. Ze richtten zich vooral op de strafkampen en gevangenissen. Als folkloristen waren ze altijd op zoek naar het oudste lied en een gevangenis had een goede conserverende werking: bij langgestraften hoopten ze liederen te vinden die buiten de gevangenis allang niet meer bestonden. Ze vonden echter een geheel eigen genre: dat van de zwarte gevangenisliederen die sterk op die van de Afrikanen lijken. Lomax en zijn vader namen op in het veld, maar ook in stille vertrekken van de gevangenis, meestal ziekenzalen, soms de executiekamer. Niemand durfde dan op de enige beschikbare stoel te gaan zitten.

Die zomer ontmoetten de twee Lomaxen Huddy Ledbetter, beter bekend als Lead Belly. Deze tweevoudige moordenaar zat in de Angola-gevangenis in Louisiana. Lomax: “Hij had een grote groene twaalfsnarige gitaar bij zich en hij had een prachtige trompetstem die op letterlijk een kilometer afstand was te horen.“ Lead Belly zette de Lomaxen meteen aan het werk. De gedetineerde had een gratieverzoek voor de gouverneur op muziek gezet. Zouden de heren dat voor hem kunnen opnemen en het bij de gouverneur willen afgeven? Enkele maanden na het afgeven van het gratieverzoek bij de gouverneur, werd Lead Belly vrijgelaten. Een paar jaar daarvoor had hij hetzelfde gedaan, maar dan live zingend, bij de gouverneur van Texas. Dat was voor de ambitieuze zanger een grote aanmoediging. Nadat hij zijn gratieverzoek-lied had beëindigd, riep hij: “Mijn naam is Huddy Ledbetter. Ik ben de koning van de twaalfsnarige-gitaarspelers van de wereld.“ Zeventien jaar later had hij een nummer 1-hit met Goodnight Irene. Zeventig jaar later is hij een blueslegende.

Als Lomax senior over zijn bezoekjes aan de gevangenis vertelde, dan kwam over de verhalen meteen een romantisch zuidelijk waas te liggen. Lomax junior was anders: hij was geschokt door wat hij in de strafkampen zag, die hij later vergeleek met concentratiekampen. Nog schokkender vond hij de ontdekking dat voor de Afro-Amerikaanse landarbeiders het verschil tussen beide kanten van het prikkeldraad erg klein was. Sinds de slavernij was er niet veel voor ze verbeterd. Zijn passie voor de zwarte volksmuziek werd een missie. Wat dat betreft was hij een kind van de Roosevelt-jaren, waarin de Amerikaanse cultuur zich emancipeerde van de Europese en er plotseling veel aandacht was voor de eigen volkscultuur en de sociale misstanden in Amerika.

Telkenmale vertelde Lomax sindsdien het verhaal van zijn bekering. Hij was op een plantage in Zuid-Texas. De arbeiders hadden in een kerkje religieuze liederen voor hem gezongen. Achter in de kerk keek de blanke opzichter zwijgend toe. “Let old Blue sing a song“, zeiden ze. Blue werd erbij gehaald, een lange man in een vale overall, en Lomax vroeg of hij zijn lied even wilde voorzingen. De opnamebanden waren schaars en duur, dus Lomax wilde eerst horen of het wat was. “Nee, ik ga het maar één keer zingen“, zei Blue, “u moet het in één keer opnemen.“ Vervolgens zong Blue een hartverscheurende aanklacht tegen het harde leven van de zwarten. Toen zijn lied af was, boog hij zich naar de opnamehoorn en zei: “Meneer de president, ik wil dat u luistert naar dit lied, zodat u weet hoe ze ons arme zwarten behandelen hier in Texas. Wilt u alstublieft langskomen en er iets aan doen?“

Blue had volgens Lomax het idee dat hij door de hoorn rechtstreeks met Washington praatte. Hij wilde het lied per se in één keer opnemen omdat hij dacht dat de aanwezige blanken zo'n schandelijk lied niet een tweede keer zouden dulden. Toen Lomax opkeek, was de blanke opzichter naar buiten geslopen. Lomax liet de opnames aan de arbeiders horen. Ze waren verrukt en sloegen Blue op de schouders: “Blue heeft het hem dit keer echt geflikt.“

Opwinding

Het zou Lomax vaker opvallen, de grote opwinding die het terughoren van de opnames veroorzaakte bij de zangers. Lomax in 1960: “Wat Blue en zijn vrienden doorhadden, is dat de bandrecorder een stem aan de stemlozen kan geven, voor de miljoenen mensen die geen toegang hebben tot de grote communicatiekanalen, en wier culturen doodgepraat worden door goedbedoelende onderwijzers en missionarissen, en wie het zwijgen wordt opgelegd door het geschreeuw uit onze goedkope luidsprekers.“

Lomax voorzag de opkomst van een dominante massacultuur die vele kleine culturen zou wegvagen. Als tegenwicht wilde hij die culturen behoeden, in ieder geval vastleggen, en ook promoten. Een van de grote vloeken van deze tijd was volgens hem het passieve luisteren en kijken naar gecentraliseerde radio en televisie, waardoor niemand meer zelf zong of vertelde: “Dertigduizend jaar lang hebben mensen zichzelf uitgedrukt in expressieve kunsten, precies de gave die ons mens maakt. En die wordt nu bedreigd.“

Ironisch is dat Lomax zelf aan de wieg stond van de Amerikaanse popmuziek die sinds de jaren zestig de wereld veroverde, maar ook een ravage aanrichtte in de plaatselijke muziek. Wie wel eens een Indonesisch dansorkest Imagine op synthesizer heeft horen spelen, begrijpt wat de poprevolutie heeft aangericht, met Lomax als medeplichtige. Ook Lomax ontkwam niet aan het missionarissendilemma: de technische vooruitgang ontsloot voor hem geïsoleerde culturen, maar richtte deze vervolgens te gronde.

Maar Lomax is ook te somber geweest. De massamedia hebben naast eenheidsworst ook een enorme diversiteit aan muziekstijlen over de wereld verspreid. De opkomst van de wereldmuziek is een treffend voorbeeld. Nooit kon je in een Nederlandse platenzaak zoveel verschillende muziekstijlen kopen. En ja, die muziekculturen zijn niet meer “puur', die beïnvloeden elkaar, en worden allemaal beïnvloed door de popmuziek. Maar is dat ooit anders geweest? Lomax laatste, niet voltooide project was de Global Jukebox, een zeer uitgebreide website waarop je via een wereldkaart op allerlei manieren de volksmuziek van de wereld kan categoriseren en er verbanden tussen leggen, volgens het door Lomax bedachte indelingssysteem voor volksmuziek: de “Cantometrics'. Alleen van Afrika naar de Amerika's zou dit al een wirwar van lijnen moeten opleveren. En wat te denken van de blues: de lijn zou van West-Afrika en Groot-Brittanië naar de Verenigde Staten lopen, terug naar Engeland, weer heen naar Amerika, en dan de wereld over.

Wie naar de Lomax-verzamelaar Sound of the South luistert, krijgt een kijkje in de kraamkamer van de popmuziek. Interessant is dat de scheiding van blanke en zwarte muziek veel minder strikt is dan algemeen wordt aangenomen. Soms hoor je echt het verschil niet. Elvis Presley heeft de naam de zwarte rhythm and blues en de blanke bluegrass te hebben samengebracht, maar vijfentwintig jaar eerder bestond het onderscheid tussen die twee niet eens. In het boek Escaping the Delta, waarin schrijver Elijah Wald de mythe van de blues ontmantelt, blijkt dat blanke en zwarte musici vroeger samen speelden, en allerlei stijlen muziek door elkaar brachten. De indeling naar zwarte “race music' en blanke hillbilly en bluegrass stamt van later. Lomax was zelf ook niet vrij van typecasten. Toen hij aan Muddy Waters - ook een van zijn ontdekkingen - een lijst met zijn repertoire vroeg, gaf de blueszanger een lijst met dertig nummers. De helft was blues, de andere helft bestond voornamelijk uit westernliedjes van Gene Autry, de zingende cowboy. Maar ja, dat was blanke amusementsmuziek, dus dat wilde Lomax niet opnemen.

Een goed voorbeeld is The Alabama Sacred Harp Concention, een zangbijeenkomst die Lomax in 1959 in het plaatsje Fyffe opnam. Voor de niet-ingewijde klinkt dit als een typische zwarte gospelgroep: krachtige vierstemmige zang, rauw en enthousiast over elkaar heen buitelende en elkaar echoënde partijen met een sterk ritme. Hun kersthymne Sherburne (While shepherds watched their flocks by night) kan een volwassen man tot tranen brengen. Maar de Sacred Harp zangers waren blanke zuiderlingen. Toen Lomax vertelde dat hij de volgende dag zwarte gevangenisliedjes zou gaan opnemen, zei een van de gospelzangers: “We houden hier niks niet van nikkers. Vorig jaar kwam er eentje langs, de jongens hebben hem de dood ingejaagd, met geweren. Nee meneer, we moeten geen nikkers hier.“

In 2004 haalde een opname van Alan Lomax wederom onverwachts de hitparade. Op een dag riep de zoon van Anna Lomax Chairetakis vanuit de woonkamer: “Mam, moet je kijken. Opa's muziek is op televisie. In een American Express reclame.“ Anna Lomax kwam en hoorde het liedje Joe Lee's Rock van Boy Blue dat haar vader in 1959 had opgenomen voor een drankwinkel in Hughes (Arkansas). De dance-artiest Moby had het nummer gesampeld voor zijn cd Play, net als verschillende andere Lomax-opnames. Het lied had hij voorzien van een stevige moderne beat. Play was een enorme hit. Weer kon Anna Lomax met een platina plaat en een cheque op zoek naar de oorspronkelijke artiesten. Alleen de gitarist Willie Jones leefde nog. Na de opname in 1959 was Lomax trouwens door de politie de stad uitgejaagd, onder dreiging van een geweer. Zijn werk was niet zonder gevaar: interesse in de zwarte cultuur was bij voorbaat verdacht in het Zuiden.

Eergisteren was de prachtige documentaire Lomax The Songhunter op televisie. Vorig jaar werd hij bekroond met een Gouden Kalf. De maker, antropoloog Rogier Kappers, richt zich vooral op het Europese werk van Lomax. In een oude Volkswagenbus reisde hij door Europa op zoek naar de zangers die Lomax ooit opnam. Hij ging ook op bezoek bij de 86-jaar oude held zelf. Na twee hersenbloedingen was deze zijn spraakvermogen kwijtgeraakt. Het interview bestond uit beelden van een goedlachse maar zwijgende man in een zwembroek. Gelukkig dat hij zo vrolijk lachte, anders zou je er nog treurig van worden: de man die de stemlozen een stem gaf, was zelf zijn stem kwijt. Driekwart jaar na de opnames overleed Lomax. Maar zijn tienduizend volksliederen zwerven door over de wereld.

“Lomax the Songhunter' komt dit jaar op dvd uit. Goede introductie-cd's zijn: “The Alan Lomax Collection Sampler' en “Alan Lomax: Popular Songbook'. Verder lezen: “Blues en Balladen' van Louis Peter Grijp en Herman Roodenburg (Salomé, 2005) en “The Land Where The Blues Began' (Pantheon, 1993) van Alan Lomax zelf. Inl.: www.lomaxthesonghunter.nl of www.allan-lomax.com