Geef me een warm, Brits bed

Op spillebeentjes kuierde de mismaakte dwerg Georg Lichtenberg door 18de-eeuws Londen. En ook daarover schreef hij zeldzaam vermakelijke brieven.

Tijdens het lezen van de brieven van Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799) kostte het mij moeite om niet van tijd tot tijd te denken aan de bekende tekening die er van hem bestaat, vermoedelijk gemaakt door zijn vriend Blumenbach. Het is eerder een karikatuur dan een portret. We zien Lichtenberg afgebeeld met een reusachtig hoofd, vrijwel zonder nek en met een bochel, zowel van achteren als van voren, terwijl het geheel rust op twee spillebeentjes. Een “mismaakte dwerg' noemt Cyrille Offermans hem in de inleiding bij Gekleurde schaduwen, een door hem samengestelde en door zijn echtgenote levendig vertaalde selectie uit Lichtenbergs brieven. Het is allerminst kwaadaardig bedoeld, want Offermans doet zich - niet voor de eerste keer - kennen als een geestdriftig bewonderaar.

Terecht, want zulke innemende, vermakelijke en soms zelfs spectaculaire brieven als die van Lichtenberg lees je maar zelden. Spectaculair zijn de brieven die hij uit Engeland schreef. Twee keer bezocht hij de Britten: in 1770 verbleef hij ruim een maand in Londen, veertien maanden in 1774-1775. Hij heeft er zijn ogen uitgekeken, een en al opwinding en nieuwsgierigheid. In gedachten zie je hem heen en weer springen op die spillebeentjes of zich voorbij langere omstanders naar voren dringen, om niets te hoeven missen.

In de eerste brief die Offermans heeft uitgekozen, klinkt “het dan zo: “Ik heb de zee gezien, ettelijke oorlogsschepen met 74 kanonnen, de koning van Engeland in heel zijn heerlijkheid met de kroon op zijn hoofd in het parlementsgebouw, Westminster Abbey met de beroemde graven, de St. Paul's, de Lord Mayor in een grote optocht en in het gedrang van vele duizenden mensen die allemaal hoezee, God bless him, Wilkes en liberty schreeuwden - en dat allemaal in één week'.

Lichtenberg heeft zoveel gezien dat hij er niet meer aan toekomt het te beschrijven. Daarom gaat hij er bij het tweede bezoek speciaal voor zitten en geeft zijn correspondent een adembenemende “schets [...] van een avond in de straten van Londen', met als uitgangspunt Cheapside en Fleetstreet. De passage geldt als de eerste beschrijving van de grote stad in de Duitse literatuur. Metropolen als Londen (ruim 700.000 inwoners) bestonden in Duitsland niet; Göttingen, waar Lichtenberg aan de universiteit natuurwetenschappen doceerde, telde misschien 10.000 inwoners.

Het opmerkelijke is dat Lichtenberg er zo enthousiast over was, bij hem geen verlangen naar de “schoonheid van de natuur' die Goethes Werther nagenoeg terzelfdertijd boven de stad prefereerde. Of het moest de schoonheid van de vrouwen zijn, vooral de Engelse vrouwen, van wie Lichtenberg meer dan eens de lof zingt. Al die dienstmeisjes die zijn bed van een beddenpan voorzien en ook nog eens voortreffelijk Engels spreken. “Als uw hart tegen een stootje kan, kom dan hierheen, ik garandeer u dat u het Engels zult snappen voordat uw bed veertig keer is verwarmd', schrijft hij aan zijn vriend en uitgever Johann Christian Dieterich.

Lichtenberg beheerst het Engels al, hij geeft er zelfs les in. In Göttingen heeft hij adellijke Engelse studenten onder zijn hoede, en de reden van zijn eerste bezoek aan Engeland is dat hij twee van hen terug naar huis begeleidt. Via hen krijgt hij een introductie bij het Engelse hof. Vol trots kan hij weldra naar huis schrijven over zijn warme betrekkingen met George III, die hevig geïnteresseerd is in astronomie - een van Lichtenbergs specialismen.

Met Lichtenberg zitten we midden in de Verlichting. Hij belichaamt er een van de aantrekkelijkste gezichten van, niet zozeer overigens dankzij zijn wetenschappelijke activiteiten als wel dankzij zijn Sudelbücher (kladboeken) vol geestige aforismen over de meest uiteenlopende onderwerpen. En dankzij zijn brieven. Hoewel het merendeel van zijn correspondentie verloren is gegaan, behoort Lichtenberg beslist tot de grote epistolaire talenten van zijn eeuw, naast onder anderen Voltaire, Diderot, Madame Du Deffand en Belle van Zuylen.

Zijn brieven zijn met merkbaar plezier geschreven. Lichtenberg doet zijn uiterste best om zijn correspondent te amuseren, maar dat lukt vooral omdat hij er zelf zo'n lol in heeft. Natuurlijk zijn sommige brieven ook serieus van toon, zoals de interessante brief aan Goethe over diens kleurenleer (waaraan deze selectie haar titel ontleent: Lichtenberg ontkent het bestaan van het zuivere wit, hij ziet overal “gekleurde schaduwen' - een metafoor voor zijn gevoel voor nuance en schakering), maar bij meer intieme vrienden ontbreekt alle vormelijkheid en lezen we over een bed dat zo groot en zo zacht is “dat je er bijna niet zonder slechte gedachten op kunt neerploffen', of meldt hij zich zo gezond te voelen dat hij de neiging heeft “vannacht iets daarvan kwijt te raken door eens gezond te gaan drinken'.

Prachtig zijn de brieven waarin Lichtenberg zich op een “sublieme' manier onder de indruk toont van het natuurgeweld. Als een tweede Odysseus bindt hij zich vast aan de mast om zonder gevaar van een storm te kunnen genieten, en wordt daarna zelfs “geïnspireerd tot “deemoed voor de grote schepper'. Maar ook een stevige donderbui blijkt daartoe in staat, niet toevallig op de sterfdag van zijn vader, een dominee, die hij al op negenjarige leeftijd was kwijtgeraakt. De sublieme emoties gaan echter nooit zo ver dat ze Lichtenberg van zijn verlichte criticisme afhouden. Privé mag hij alleszins ontvankelijk zijn geweest voor driften en sentimenten, aangrijpend is bijvoorbeeld zijn verdriet wanneer het bloemenverkoopsterje met wie hij een paar jaar heeft samengewoond op zeventienjarige leeftijd sterft - zodra het publieke domein wordt betreden domineert de ratio.

Dat heeft Lavater geweten, wiens fysiognomie door Lichtenberg per pamflet werd bestreden als een vorm van “transcendente buiksprekerij'. Waarschijnlijk heeft hier ook enig eigenbelang meegespeeld, aangezien de fysiognomie uitgaat van een overeenkomst tussen innerlijk en uiterlijk. Een mooi gezicht wees op een mooi karakter, maar een bochel zal vast geen goed teken zijn geweest. Zelf ging Lichtenberg voor de kennis van het innerlijk liever af op iemands gedrag. Een andere belangrijke weg was introspectie, de weg van zijn “kladboeken' en van zijn brieven, die met elkaar óók een openhartig zelfportret vormen.

Tot die openhartigheid behoren vooroordelen, zelfs in de eeuw van de Verlichting: tegen de joden bijvoorbeeld, maar ook tegen de Hollanders, die hij in een van zijn brieven - zonder duidelijk te zeggen waarom - “onverdraaglijk' noemt. Dat is nu jammer. Gelukkig blijkt even later dat Lichtenberg voor een individuele jood en voor een individuele Hollander die hij wél kan waarderen, probleemloos een uitzondering maakt. Aangezien iedereen zich tegenwoordig een individu voelt, is er dus geen reden om Lichtenberg met gelijke munt terug te betalen; niemand hoeft zich zijn belediging van de nationale eer persoonlijk aan te trekken.

Georg Christoph Lichtenberg. Gekleurde schaduwen. Brieven 1770-1799. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans; vertaald door Marion Offermans. Privé-Domein nr. 257. De Arbeiderspers, 264 blz.euro 24,95