De meisjes moeten het doen

Er zijn schrijvers die een helder idee hebben over welke kant het met de wereld op moet en die boeken schrijven om dat ideaal dichterbij te brengen. Boeken die, zogezegd, het woord bij de daad voegen. Er zijn ook schrijvers die voorvoelen wat er in de maatschappij broeit en wat er te gebeuren staat en die daarover schrijven, wat hun werk een zekere voorspellende waarde geeft, bijvoorbeeld omdat er een bomaanslag in wordt gepleegd die later ook ongeveer zo plaats heeft.

Er zijn ook schrijvers die een combinatie van de twee vormen: auteurs met een sterk ontwikkeld idee over hoe het met de wereld zou moeten gaan én een gevoel over hoe het in de wereld zal gaan. Dat zijn de interessantste schrijvers. Maar wat als de richting die je aan de wereld wilt geven diametraal tegengesteld is aan de kant die je voelt dat het met de wereld op zal gaan. Dat kan het werk van een schrijver een spanning geven die het steeds weer in vuur en vlam zet, die maakt dat het ver uitstijgt boven dat van zijn tijdgenoten. Het zijn de schrijvers die in hun werk niet alleen hun tijd vooruit zijn, maar die ook zichzelf vooruit zijn. En het zijn vaak doodongelukkige mensen. Zoals Louis Paul Boon (1912-1979).

Al in Boons debuut, De voorstad groeit (1942) is een vreemde dubbelheid te zien. Het is overduidelijk het boek van een gepassioneerd socialist, maar tegelijkertijd van een die maar niet kan geloven in de bijgeleverde vooruitgangsgedachte. Met de mond beleed Boon de strijd voor een nieuwe, rechtvaardige maatschappelijke orde, maar met zijn pen, in zijn romans, beschreef hij een wereld waarin er geen kans is op verbetering. Want in “de voorstad' strijden verschoppelingen weliswaar voor een beter leven, maar concludeert de verteller: “Het leven is als een wiel, en het draait en ge ziet altijd iets nieuws en ge ziet altijd hetzelfde.' Even frappant - en pijnlijk - is de wijziging van de beroemde slotzin van Mijn kleine oorlog (“Schop de mensen Tot zij een geweten krijgen') in: “Wat heeft het allemaal voor zin?'

Het verzameld werk van Boon, door de medewerkers van het omvangrijke Antwerpse L.P. Boon documentatiecentrum begroot op vierentwintig delen, begint niet met dat vroege, uitgesproken maatschappij-kritische werk; van De voorstad groeit en Mijn kleine oorlog verschenen enkele jaren geleden al kritische tekstedities. De reeks begon vorige maand met deel vijf (Te oud voor kamperen? en andere verhalen), gisteren werd deel veertien gepresenteerd onder de titel De onkruidromans. Het is werk uit de tijd waarin Boon zijn belangrijkste socialistische illusies al had verloren, de jaren vijftig en verder. Niet de boze hemelbestormer speelt in deze boeken de hoofdrol, maar de brave huisvader, de man die zijn desillusies al heeft geaccepteerd, die zich als “Boontje' goedmoedig richt op het algemeen-menselijke, de wereld waarin niet veel mis kan gaan. Denkt hij, want in werkelijkheid lees je dezelfde Boon, de man die met hart en ziel kan hopen op beter, in de zekerheid dat het zinloos zal blijken te zijn.

Kamperen

De drie verhalen die samen met de korte roman Menuet in Te oud voor kamperen? staan, zijn een scharnierpunt in Boons oeuvre. Daarin schoof hij zijn oude romantische kunstopvatting terzijde en legde zich toe op een, aldus het informatieve maar studieuze nawoord bij de editie, “provocerende banaliteit'. Het titelverhaal was ook bij veel Boonkenners volslagen onbekend. “Te oud voor kamperen?' blijkt een mooi, maar niet opzienbarend verhaal uit 1947 te zijn. Een gezelschap beleeft een aaneenschakeling van kampeergerelateerde semi-beproevingen. Het enige maatschappelijke gif zit in de opmerking in de voorlaatste alinea: “Op de trein naar-huis-toe, moe en vuil, en met onze potten en pannen: een werkman staat naast mij op het platform die vraagt of wij uit Duitsland komen en gerepatrieerd zijn.' Het is al helemaal de vriendelijke toon van Boontje, de cursiefjesschrijver die van 1959 tot 1978 dagelijks een stukje schreef in het Vlaamse dagblad Vooruit.

Een andere voorloper van het werk van de broodschrijver Boon is te vinden in het nu verschenen deel van het verzameld werk, waarin onder de titel De onkruidromans drie boeken zijn samengebracht: Een liefde van Annie Mols(1959), Het nieuwe onkruid (1964) en Als het onkruid bloeit (1972). Een liefde van Annie Mols geldt als Boons pastiche op de pulproman. De imitatie is nauwelijks van echt te onderscheiden, compleet met balkonscènes, valpartijen en plotselinge sterfgevallen. Behalve dan uiteraard in de prominente rol die er in het boek gespeeld wordt door het verlangen van de oudere man naar een jongere vrouw. Een vrouw die zijn dochter had kunnen zijn. Een minderjarige.

Boon heeft zijn beroemde voorliefde voor jonge meisjes altijd gepresenteerd als iets dat licht en luchtig was als de meisjes zelf. Zijn “fenomenale feminatheek', de enorme collectie afbeeldingen van geheel of gedeeltelijk ontklede vrouwen, gold altijd als typische studeerkamerhobby van de huisvader die toch nooit echt iets zou durven. Als je echter de twee nu verschenen delen van de verzamelde Boon leest, én het bij uitgeverij Meulenhoff-Manteau verschenen Eenzaam spelen met Pompon, dan blijkt hoeveel er ook hier voor hem op het spel stond.

Dat zie je vooral aan Menuet, de roman over een huwelijk tussen twintigers waar de grootse zonde allang tot duivelsplicht verworden is en waar de verhoudingen worden verstoord door de komst van een jong meisje als hulp in de huishouding. Als je het boek na jaren weer leest zijn het niet meer de moderne vormaspecten die opvallen (zoals de opsomming van krantenberichten over geweldsdelicten die als een newsbar avant la lettre over de pagina's loopt).

Het is ook niet meer in de eerste plaats de alles absorberende eenzaamheid van de drie hoofdfiguren, al blijft de van iedere illusie ontdane conclusie van de vrouw (“Elk van ons is een eiland, omgeven door verraderlijk water en wat wij allen samen hebben bewerkstelligd is louter toevallig gebeurd') moeilijk met droge ogen te lezen. Wat je in Menuet werkelijk bij de lurven grijpt is hoezeer de maatschappelijke dimensie van de verboden liefde tussen de man en het jonge meisje Boon bezighield.

Verlangen

Steeds weer, bijvoorbeeld als het gaat over “ijs onzer samenleving', benadrukt de schrijver dat die liefde niet alleen staat voor een verlangen naar jeugd en frisheid, maar ook voor de wens de heersende orde omver te werpen. Seksuele bevrijding is bij Boon ook echt maatschappelijke bevrijding. Hij lijkt werkelijk te hopen dat de nieuwe generatie een verbeterde versie van zijn eigen idealisme zal zijn. Het meisje is hard, intelligent en wars van conventies, maar bovendien krachtig en optimistisch. Die gedachte van Boon moet een van de drijvende krachten bij het schrijven van Menuet geweest zijn; het benoemen van de jonge energie die het tij dan misschien toch nog zou keren.

Het tij zou niet gekeerd worden, want de volgende generatie zou zich weliswaar bevrijden, maar slechts om plezier te maken. Dat constateert ook “Bointje' in Het nieuwe onkruid, Boons roman over de generatie van '68: “Wat hij ook zeggen mocht, hij behoorde tot de oudere generatie, en hij was en bleef de echtgenoot van een vrouw die voor een andere wereld had gestreden, maar dan niet zo'n wereldje als hier.'

Dezelfde desillusie is te vinden in het nu met veel zorg in meerkleurendruk uitgegeven Eenzaam spelen met Pompon. Deze Lolita light die niet veel om het lijf heeft, geeft een aantal taferelen uit het leven van de actrice Pompon ('U zult haar alleen kennen als filmster, nu ze om de haverklap hertrouwt, mislukte zelfmoorden op touw zet en gisteren zelfs bijna werd ontvoerd door marsianen'), doorsneden met de herinneringen van een schoolmeester die dagelijks samen met de tienjarige Pompon in de bus zat. Gaandeweg evolueert hun omgang van schenen schoppen, naar “neusje wrijven', naar een kusje naar “Je mag ze even voelen' - over wat “deze nieuwverworven vruchten, van nauwelijks wat omvang' wordt genoemd.

Eenzaam spelen met Pompon is in zijn voorspelbare wendingen allesbehalve een meesterwerk, maar toont wel precies Boons dubbelhartige verhouding tot de moderne, vlotte jeugd. Enerzijds is daar de ongerepte anarchie die de jonge Pompon uitstraalt, anderzijds is daar de overtuiging dat het ook in dit geval nergens toe zal leiden: Pompon zal uitgroeien tot een lustobject in de massacultuur: lekker, maar ongevaarlijk. Zij is geen voorbode van de nieuwe wereld, zij is een onlosmakelijk deel van de burgerlijke orde.

En het meisje uit Menuet, hoezeer zij ook symbool moet staan voor een andere toekomst, een waarin de mens zichzelf bevrijd zal hebben, is al niet anders. Want hoezeer zij zichzelf ook beschouwt als een geestverwant van de man des huizes, ze weet ook het verschil als ze lacht om de krantenberichten die deze verzamelt: “Ik zou dingen uitknippen die mij wreed doen lachen, en hij knipt wrede dingen uit die hem pijn doen.' Uiteindelijk wil zij zich bevrijden om te lachen, om licht te leven. Daarmee is het meisje een getrouwe voorafschaduwing van de allesoverheersende consumptievreugde die volgde op het ineen zijgen van de bestaande orde na de jaren zestig.

Dat het daarop uit zou draaien had Boon eigenlijk al in 1955 in Menuet gezien, al wilde hij toen waarschijnlijk nog niet geloven dat óók de jeugd de toekomst niet heeft. Dat besef zal hem alleen maar ongelukkiger gemaakt hebben, maar het geeft juist zijn ogenschijnlijk lichte meisjeswerk een wrange urgentie en het maakt Menuet ook vijftig jaar na dato tot een boekje waarvan je de grootsheid nog steeds niet kunt bevatten.

Louis Paul Boon: Te oud voor kamperen? en andere verhalen. Verzameld werk deel 5. De Arbeiderspers, 268 blz. euro 18,95

Louis Paul Boon: De onkruidromans. De liefde van Annie Mols. Het nieuwe onkruid. Als het onkruid bloeit. Verzameld werk deel 14. De Arbeiderspers, 928 blz.euro 29,95

Louis Paul Boon: Eenzaam spelen met Pompon. Meulenhoff-Manteau, 144 blz. euro19,95

    • Arjen Fortuin