De Godvrezende baas

De Quote 500, de lijst met de vijfhonderd rijkste Nederlanders, zou hij in zijn tijd zeker hebben gehaald. Al in 1959 had scheepsbouwer Cornelis Verolme (1900) 68 miljoen gulden op de bank staan. Maar toen moest Quote-chef Jort Kelder nog geboren worden.

Verolmes vermogen was het resultaat van een ongekend succesvolle naoorlogse inbraak als nieuwkomer in de Rotterdamse maritieme elite van scheepsnieuwbouw en scheepsreparatie. De wereld wilde groeien en Verolme bouwde de boten. Schulden had hij niet. Van banken had hij geen hoge pet op. De 68 miljoen gulden was echter niet helemaal van hem: de helft bestond uit aanbetalingen van ondernemingen die opdrachten hadden verstrekt.

In het daaropvolgende decennium zou hij alles weer verspelen. Hij belandde in een diep dal, krabbelde daar weer uit en verliet, in 1981, het leven voordat zijn geliefde werven bankroet gingen als onderdeel van het Rijn-Schelde-Verolme concern.

Voor een nieuwe generatie tv-kijkers zouden de drie letters RSV dankzij de openbare verhoren van een parlementaire enquêtecommissie model staan voor het demasqué van de politieke en zakelijke elite. Falend industriebeleid van achtereenvolgende kabinetten. Massa-ontslagen. Onzinnig declaratiebeleid van een helikopter vliegende president-commissaris. Gouden handdrukken voor de top.

Verolme, het zevende kind in een gezin van tien uit Nieuwe-Tonge op de Zuid-Hollandse eilanden, was als ondernemer de klassieke calvinistische entrepreneur. Hij stak al het geld dat zijn werven verdiende weer in zijn bedrijf, en bleef maar investeren. Maar hij genoot er wel van: een jacht, genaamd Ancor, een vriendschap met prins Bernhard, een zwarte Cadillac met chauffeur, zijn huizen, het stond allemaal op rekening van de zaak. Hij was de enig aandeelhouder. De baas. Godvrezend, maar voor niemand bang, met uitzondering van zijn vrouw, maar dat kwam pas na zijn scheiding.

Eigen handeltje

Verolme was een ondernemer zoals ze nu bijna niet meer worden gemaakt. Hij had niet veel formele scholing: de avond-MTS in Rotterdam. En al maakte hij furore in Rotterdam, hij legt de basis in Hengelo, bij Stork, in de verkoop van dieselmotoren. Daar neemt zijn leven een draai. Al zijn het de jaren dertig met massale werkloosheid, armoede en de eerste voorzichtige golf van staatssteun aan de industrie, het gaat Verolme voor de wind.

De oorlog werkt voor hem als een katalysator. Hij ontmoet een nieuwe vlam, een van de twee telefonistes van Stork, met wie hij uiteindelijk ook gaat trouwen. Tegen de achtergrond van groeiende schaarste aan grondstoffen, chaos en barsten in de fysieke infrastructuur en grootschalige Duitse vernieling van de industriële capaciteit gaat Verolme zijn eigen gang.

Hij gaat de oorlog in als een welvarend man, maar blijkt in 1945 puissant vermogend: 190.000 gulden. Dat zou overeenkomen met een miljoen euro nu, schat zijn biograaf Ariëtte Dekker. Hoe hij dat precies bij elkaar verdiend heeft kan zij niet tot achter de komma achterhalen, maar het heeft er alles weg van dat Verolme in de oorlog zijn eigen handeltje is begonnen.

Het vermogen is het startkapitaal voor een industriële wervelwind die vanuit het niets een scheepbouwconcern met meer tienduizend werknemers opbouwt. Hij is dan 46 jaar, een karakteristieke naoorloge doener. Optimist, bluffer, spreekt de taal van de werkvloer, wars van de zakenelite, die hem met kartelafspraken dwarsboomt en des duivels is omdat Verolme in de krappe arbeidsmarkt van de jaren vijftig en zestig hogere lonen betaalt om mensen weg te kopen.

Zijn inbraak in de zakenelite gaat gepaard met een nieuw element: publiciteit. Verolme heeft een heuse perschef, die van hem een bekende Nederlander maakt. Hij lijkt geschapen voor het nieuwe medium: televisie. En zoals zoveel nieuwe ondernemers, stapt hij als investeerder ook in de media, in dit geval in de commerciële televisie vanaf het REM-eiland, dat net buiten de territoriale wateren ligt.

Zoals wel meer doeners loopt Verolme zichzelf uiteindelijk voorbij. Zijn investeringsdrift overtreft zijn financiële middelen, zijn bankiers worden korzelig en kortaf, hij zoekt steun van de overheid, en verliest uiteindelijk de greep op zijn bedrijf, dat fuseert met Rijn-Schelde.

Biograaf Dekker herleidt de RSV-fusie tot een sterk staaltje industriepolitiek, niet van de overheid, maar van topman Jan van den Brink van de Amro Bank. Na de formatie van RSV wordt Verolme door zijn zakelijke, financiële en politieke tegenspellers vakkundig uitgerangeerd. Maar het rappe herstel van de scheepsbouwmarkt herstelt ook Verolmes eigen vermogenspositie.

Escapades

Ariëtte Dekkers boek is een sublieme biografie, die wellicht iets dunner had kunnen ziin. Daar staan sterke punten tegenover: zijn liefdes- en familieleven, zijn Braziliaanse escapades, zijn opvliegende karaker, zijn onvermogen tegenspraak te dulden, pikante feiten over zijn fiscale positie, de naijver binnen het scheepsbouw- en reparatiekartel en het politieke en zakelijke touwtrekken met diverse kabinetten en politici om miljoenen steungeld. En zijn gevaarlijke politiek van bedrijfsfinanciering, waarop aanbetalingen van opdrachten werden gebruikt om langlopende investeringen te doen.

Opvallend in de hoofdstukken die de jaren vijftig, zestig en de eerste helft van de jaren zeventig bestrijken is het aantal bekende namen uit politiek en bedrijfsleven die de revue passeren. Minister en latere werkgeversvoorzitter Chris van Veen was een neef van Verolme. En in de zakelijke, ambtelijke en financiële elite draaien bekende familienamen mee als Wakkie, Rinnooy Kan en Ruys.

Bovendien heeft Dekker toegang gekregen tot de bancaire archieven van ABN Amro. De stukken geven fraaie inkijkjes in de frustraties en de woede van een paar van Nederlands toenmalige machtigste bankiers als succes-ondernemer Verolme voor de zoveelste maal zijn toezeggingen binnenskamers niet is nagekomen. Tandenknarsend moeten zij toezien hoe hij de buitenwereld alvast trakteert op zijn volgende plannen.

Ariëtte Dekker: Cornelis Verolme. Opkomst en ondergang van een scheepsbouwer. Bert Bakker, 539 blz. euro 39,95.