Klimaat blijkt hoofdoorzaak kikkersterfte

De klimaatopwarming door het broeikaseffect is de grote boosdoener bij de wereldwijde sterfte onder kikkers. Dat tonen wetenschappers vandaag aan in het wetenschappelijke tijdschrift Nature.

De harlekijnkikkersoort Atelopus varius in Costa Rica is erg zeldzaam geworden door het warmere klimaat. Foto NHPA NHPA

Een internationaal team onder leiding van J. Alan Pound wijst daarmee voor het eerst een duidelijke oorzaak aan voor de mysterieuze achteruitgang van kikkers in de tropen, ook in ongerepte regenwouden. Door de hogere temperaturen krijgt een fatale schimmelziekte die onder de kikkerhuid woekert meer kans, waardoor honderden soorten met uitsterven bedreigd worden.

Eenderde van alle 1856 bekende amfibiesoorten op aarde is aangemerkt als bedreigd. Daarvan zijn 122 soorten mogelijk al uitgestorven.

Biologen denken al langer dat de schimmel Batrachytrium dendrobatidis in samenhang met hogere temperaturen amfibieën de das om doet. Maar vreemd genoeg doet deze zogeheten chytride-schimmel het juist slechter bij hogere temperaturen. De auteurs hebben de paradox nu opgelost.

Door de hogere temperaturen stijgt de gemiddelde nachttemperatuur in de tropen, maar neemt tegelijkertijd de bewolking overdag toe. Daardoor valt de gemiddelde temperatuur overdag lager uit dan voorheen. Per saldo speelt dat de schimmel in de kaart, omdat die het best gedijt bij temperaturen van 17 tot 25°C. Amfibieën die zich vroeger met een zonnebad van de schimmel konden ontdoen (de schimmel sterft boven 30 °C), gaan nu ten onder.

De onderzoekers bestudeerden de kikkersterfte bij harlekijnkikkers (Atelopus) in Midden- en Zuid-Amerika, opvallend felgekleurde gifkikkertjes. Van 110 bekende soorten harlekijnkikkers is in de laatste twintig jaar tweederde “uitgestorven', dat wil zeggen “niet meer gezien door onderzoekers'.

Opvallend is dat de meeste amfibieën verdwenen na uitzonderlijk warme jaren. Zo is de Jambato-pad (Atelopus ignescens) uit de bergbossen van Ecuador sinds 1988 niet meer gezien. In 1987 lag de gemiddelde temperatuur in dat gebied twee graden boven het eeuwgemiddelde.

Het gevoeligst voor uitsterven zijn amfibieën die leven in tropische nevelwouden op hoogtes tussen de 1000 en 2400 meter, juist de zone waar nu nog de grootste diversiteit aan soorten voorkomt. Dat hier de sterfte plaatsvindt is ook te verklaren met de schimmel-temperatuur-hypothese. Op lagere hoogten is het te warm voor de schimmel om te overleven, heel hoog is het juist te koud voor een optimale groei.