Neem beloning popmusici serieus

De initiatiefnota “Oogstrelend en Hartveroverend' van SP-Kamerlid Arda Gerkens geeft extra aandacht voor de zeer geringe rol die de popmuziek in het subsidiebeleid van de overheid speelt. Gerkens pleit voor de invoering van een nieuw fonds voor opnamen, promotie en marketing. Met het Kamerdebat over de nota, begin februari, voor de boeg staat het popbeleid voor even in de schijnwerpers. Het grootste taboe van de popmuziek komt echter niet in de nota aan bod: het al jarenlang voortdurende probleem van de belabberde inkomenspositie van popmuzikanten.

Juist op dit punt bestaat een grote ongelijkheid met vrijwel alle andere kunstvormen. Het ministerie van OC&W liet enkele jaren geleden onderzoek doen naar de inkomenspositie van verschillende groepen kunstenaars, resulterend in het Cap Geminirapport van 2002. Hierin werd de grote inkomensachterstand voor popmuzikanten geconstateerd, gekoppeld aan de aanbeveling de gageondergrens in het Poppodiumplan te verhogen, echter zonder dat dit zou leiden tot een vermindering van het aantal gesubsidieerde optredens. Er zou dus een flinke verhoging van de subsidie aan de popmuziek nodig zijn. Sindsdien is het stil.

Vrijwel elke subsidieregeling kent een ondergrens (en vaak ook een bovengrens) voor de gage of het inkomen dat de betrokken kunstenaars bij een subsidiabel project dienen te ontvangen. Het basisidee daarbij is dat kunstsubsidie terecht dient te komen bij professionele kunstenaars; daar hoort dan ook een professionele beloning bij. Binnen de huidige professionalisering van de popmuziek, met onder meer de professionalisering van poppodia en het ontstaan van opleidingen als de Rockacademie en conservatoriumopleidingen voor popmusici, is het irreëel deze basisgedachte alleen bij de popmuziek los te laten.

Natuurlijk is de grens tussen amateurs en professionals in de pop nog steeds veel moeilijker te trekken dan bij bijvoorbeeld de jazz, zodanig dat de jazznorm niet één op één kan worden vertaald naar de popsector. Aansluitend bij de systematiek van het Poppodiumplan zou het echter heel goed mogelijk zijn een gedifferentieerde minimumnorm vast te stellen voor verschillende podia.

Doorrekening van een dergelijk model levert echter schrikbarende resultaten op: het grote merendeel van de nu gesubsidieerde popconcerten zou binnen de huidige budgetten niet langer mogelijk zijn. Het is in dat opzicht wellicht ook niet verwonderlijk dat een instituut als het Nationaal Popinstituut (NPI), dat zich de afgelopen jaren toch zeer heeft ingespannen voor een professionele erkenning van popmuziek en de professionalisering van de Nederlandse poppodia, een professionele gage altijd afgehouden heeft, uit angst dat het aantal gesubsidieerde concerten gedecimeerd zou worden. Met name ook omdat niet alleen OC&W, maar ook de gemeenten hun subsidies aan de podia moeten verhogen om een reële gagenorm te kunnen bekostigen.

Angst is echter een slechte raadgever. Het kan niet zo zijn dat iedereen rond de popmuziek een CAO-loon ontvangt terwijl de optredende musici met minder dan de maximaal toegestane onkostenvergoeding genoegen moeten nemen. Gezien de status van popmuziek als relevante contemporaine kunstvorm, zal het subsidiebeleid die status moeten volgen. Het wordt tijd voor een inhaalslag, wil althans de discussie over een nationaal product, de mogelijkheden daarvan in de eigen media en zeker de export ervan naar het buitenland werkelijk zin hebben.

Maar de eerste vraag ligt bij de basis: nemen we popmuziek serieus? Daarna komt de vraag: nemen wij popmusici serieus? Of bestaat de professionele popwereld alleen uit platenmaatschappijen, muziekuitgevers, directeuren, beleidsmedewerkers en programmeurs?

Erwin Angad-Gaur is secretaris van de muzikantenbond Ntb, componist/tekstschrijver en producer.