Meisje tussen de jongens

Madeleen Leyten is 70 en ze vertelt dat ze onder regie van haar vader rechten studeerde in Nijmegen. Hij had een stok achter de deur: een meisje hoefde niet per se gestudeerd te hebben. En ze had al vroeg begrepen dat ze dan een dubbele naam mocht hebben, maar dat er wel gewerkt moest worden.

Nederland, Den Haag, 04-01-2006 Mr. Judith Juli‘tte Madeleine Sophie (Madeleen) Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn (Zwolle, 29 september 1935) Juriste uit een katholieke adellijke familie. Was enige tijd assistent-griffier van de Tweede Kamer en daarna lid van Provinciale Staten van Noord-Brabant. Speelde als vice-voorzitter van de KVP een belangrijke rol bij het fusieproces dat leidde tot de vorming van het CDA en bewerkstelligde het aftreden van KVP-voorzitter De Zeeuw toen die voor een eigen koers van de KVP bij het vernieuwingsproces pleitte. Vervulde vele bestuurlijke functies, zowel in maatschappelijke organisaties als in het bedrijfsleven. Was in de Eerste Kamer voorzitter van de commissie Justitie. Was ruim veertien jaar lid van de Raad van State. CDA in de periode 1980-2002: lid Eerste Kamer, lid Raad van State Nevenfuncties: Lid bestuur Janivo Stichting te Breda en vice-voorzitter Raad van Toezicht LUMC (Leids Universitair Medisch Centrum) PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS J.J.M.S. Leyten-De Wijkerslooth de Weerdesteyn (Zwolle, 29 sept. 1935) woont in den Haag Foto Roger Cremers Cremers, Roger

Nijmegen, jaren vijftig. Veel jongens, weinig meisjes. “Ook wat dat betreft“, zegt ze, “was het een goede voorbereiding op al die baantjes later, waar ik vaak de enige vrouw was.“

Illustere leermeesters als Duynstee en Van der Grinten, die je niet alleen de nodige kennis bijbrachten, maar ook een gevoel van verantwoordelijkheid, het besef dat je je talenten ook moest gebruiken ten bate van je medemensen.

“Van al je medemensen“, vraag ik. “Of vooral van je katholieke medemensen?“

“Dat was“, zegt zij, “niet zo'n item. Je kénde niemand die niet katholiek was. De verzuiling, ik ben blij dat ik dat nog heb mogen meemaken. Binnen je zuil kwam je in aanraking met alle lagen van de bevolking, vakbondsmensen, boeren, noem maar op. Nu is de maatschappij meer verzuild naar inkomen; dat vind ik minder interessant.“

Ze werkte bij de griffie van de Tweede Kamer. Ze trouwde met een neuroloog, verhuisde naar Tilburg en kreeg drie kinderen. Die stopte ze na het eten in bed en dan nam ze de trein om ergens te gaan vergaderen. Als vice-voorzitter van de KVP speelde ze een grote rol in de totstandkoming van het CDA.

“Dat CDA“, zeg ik, “dat was uw vierde kindje. Daar bent u trots op?“

“Alleen zou ik het nooit zo zeggen“, zegt ze. “Dat is mannentaal. Mijn kinderen zijn mijn kinderen, mijn werk zie ik anders.“

“Maar u bent er wel trots op?“

“Ik ben heel tevreden met het CDA, vooral nu er weer goede jonge mensen naar voren komen.“

“Ja, wat zijn dat voor een jonge mensen, die in het CDA naar voren willen komen?“

“Goede jonge mensen“, herhaalt ze. “Zoals je ook ziet dat godsdienst weer van belang gevonden wordt, dat ze weer in de kerk trouwen, dat ze hun kinderen weer laten dopen.“

Toen haar kinderen naar de middelbare school gingen, kwam zij beschikbaar voor baantjes tijdens kantooruren. Ze was lid van de Staten van Brabant, ze was lid van de Eerste Kamer, ze zat in tal van raden en commissies; dat ging van gezondheidszorg tot spoorwegen, van Amro-bank tot Bijenkorf. Toch, toen haar naam eens opdook op zo'n zot lijstje van machtigste vrouwen van Nederland, waren er maar weinigen die haar kenden.

“Publiciteit“, zegt ze, “heb ik vrij bewust gelaten voor wat het was. Kerels waren er dol op. Ik dacht: laat ik dat ook eens doen, een interview. Maar het beviel me niet, en het had geen nut ook, voor wat ik wilde bereiken was geen publiciteit nodig.“

In 1987 werd ze benoemd in de Raad van State. Daarmee trad ze in de voetsporen van haar grootvader. En ze was blij toe. Nu hoefde ze tenminste geen burgemeester, commissaris van de Koningin of minister te worden.

“Dat vind ik nogal blasé“, zeg ik.

“Maar ik werd steeds gevraagd“, zegt ze. “Ook vanwege de heersende vrouwennood natuurlijk.“

Als staatsraad deed ze talloze uitspraken, vooral op het gebied van milieu en soms met pijn in het hart. “Dan zag ik echt wel“, zegt ze, “dat de consequenties van een bepaald bezwaar voor een bepaalde boer buiten alle proportie waren. Die jongens van Milieuoffensief, die had ik zowat élke zitting tegenover me... ontzettend actief, ontzettend vasthoudend, daar had ik ook wel bewondering voor.“

“En als jurist“, zeg ik, “kunt u er geen bezwaar tegen hebben dat burgers gebruik maken van alle beschikbare rechtsmiddelen.“

“Nee“, zegt ze. Maar het burgerlijk recht maakt dan vaak een grondige belangenafweging mogelijk, terwijl de marges in het bestuursrecht smal zijn. Voor de Raad van State gaat het om de juiste toepassing van regelgeving en beleid en daarvan kon door appellanten (“laat ik het goed zeggen“) een oneigenlijk gebruik worden gemaakt. Het kwam voor dat je in feite uitspraak moest doen in een burenruzie, en nog bijna gratis ook.

Afijn, ze is daar weg. En het aantal zaken is drastisch afgenomen. De griffiekosten zijn verhoogd, sommige regels zijn veranderd en andere heeft de overheid beter leren hanteren, het milieu is een beetje uit (“tot mijn spijt hoor, want we zitten wel met z'n allen in een propvol land“) en Milieuoffensief is samen met Folkert van der G. verdwenen.

“U hebt hem voor uw neus gehad?“

“Ja.“

“En toen hij gepakt werd voor de moord op Fortuyn... toen dacht u: jeetje!“

“Ja“, zegt ze.

Even afwachten. Nee, verder niks.

Intussen heeft ze van bijna al die baantjes die ze heeft gehad, al die posities die ze heeft bekleed, al die functies die ze heeft uitgeoefend, ook weer afscheid genomen - deze week nog bij het Mauritshuis en een groot liefdadigheidsfonds. Haar laatste twee posten heeft ze bij de Bezwarencommissie van Buitenlandse Zaken en de raad van toezicht van het Academisch Ziekenhuis Leiden, alleen dit jaar nog.

“Er zijn activiteiten“, zegt ze, “daar hinder je niemand mee als het minder wordt. Maar in die toezichtfuncties moet je enorm op je qui-vive zijn, daarmee mag je geen risico nemen. Bovendien: mijn man is ouder dan ik; als we nog leuke dingen willen doen, moeten we ze nu doen.“

“Nuchter“, zeg ik, “Erg nuchter.“

En zij: “Kérels klampen zich vast aan hun werk. Wat moet ik dan, zeggen ze, thuiszitten? Het lijkt me heerlijk: thuiszitten!“

    • Koos van Zomeren