Eeuwigheid

Op twee plaatsen in Amsterdam hangt werk van Henri Cartier-Bresson: zijn foto's in fotomuseum Foam aan de Keizersgracht, zijn tekeningen en (twee) schilderijen in Maison Descartes aan de Vijzelgracht. Een wandeling van vijf minuten scheidt die twee locaties, maar voor de bezoeker van Foam lijkt het een dagtocht. Hij houdt het liever bij de foto's en laat zich amper zien in Maison Descartes. Op een middag telde ik tien bezoekers per minuut in Foam tegen drie bezoekers per uur in Maison Descartes.

Arme Cartier-Bresson.

Hij moet het zich heel anders hebben voorgesteld toen hij zich omstreeks 1970 uit de fotografie terugtrok en terugkeerde naar zijn prilste ambitie, die van tekenaar en schilder. De bewonderaar van zijn foto's zal zich onwillekeurig afvragen wat hem heeft bezield. De tekeningen zijn van de betere middelmaat en de schilderijen verraden ronduit een gebrek aan talent. Zonder zijn grote naam als fotograaf zou Cartier-Bresson nooit zo'n tentoonstelling hebben gekregen.

Het is voor de bezoeker een bijna ontluisterende ervaring als hij kort tevoren die overweldigende tentoonstelling in Foam heeft gezien. Waarom heeft Cartier-Bresson dit zichzelf aangedaan? Het was zijn knie, hij kon er niet meer op uittrekken, zei zijn weduwe Martine Franck tegen Margot Dijkgraaf in deze krant. Maar uit de biografie van Pierre Assouline over Cartier-Bresson rijst een complexer beeld op.

Hoe bizar het ook klinkt, het is alsof Cartier-Bresson een gemankeerd kunstenaar was, iemand die vergeefs een ambitie najoeg waarvoor hij het ware talent miste. Hij wilde een groot kunstenaar worden en hij besefte niet dat hij het al wás - als fotograaf. Hij zag zich liever de kunstgeschiedenis ingaan als schilder, desnoods als filmer. Over de Spaanse Burgeroorlog maakte hij een propagandafilm - om jaren later tot de treurige ontdekking te komen dat zúlke films geen eeuwigheidswaarde hebben, maar wel de foto's van zijn collega Robert Capa.

Tegen die achtergrond krijgt zijn ambitie om schilder te worden, iets aandoenlijks, iets tragisch ook. Voortzetting van zijn loopbaan als fotograaf vond hij zinloos, want hij had alles gedaan wat hij wilde doen, de rest zou herhaling zijn. En dus modderde hij als schilder maar door, zich vertwijfeld afvragend of wat hij maakte goed genoeg was. Ook voor zijn omgeving werd het een pijnlijke kwestie. Wie durfde een eerlijk oordeel te geven? Weinigen, want roem genereert een overmaat aan eerbied.

Een van de uitzonderingen was zijn schildersvriend Avigdor Arikha, die onomwonden zei: “Je hebt in de fotografie naam gemaakt, waarom kom je ons nu met je tekeningen lastigvallen?“ Het antwoord was simpel: omdat hij de teken- en schilderkunst als kunstvorm hoger aansloeg. “De foto is onmiddellijke actie“, zei Cartier-Bresson, “de tekening is meditatie.“

Dat kon niet goed aflopen. Cartier-Bresson begon steeds meer op de fotografie af te geven, hij keerde zich openlijk tegen bepaalde collega's.

Ik kijk weer naar zijn foto's. Of hij wilde of niet: zó, en niet anders, gaat hij de eeuwigheid in.