De dood als dagelijkse belasting

Bijna 6.000 mensen in Nederland zijn dagelijks aanwezig op begraafplaatsen, bij uitvaartondernemingen of crematoria. Hoe zwaar is het werken met de dood?

Doodgravers verlaten via de 700 m lange dijk de Houbenhof met de kist van Anny Rutten. Door de hoge waterstand van de Maas (rechts in beeld) kon de begrafenisonderneming niet met de lijkwagen tot bij het hof van de overledene komen. Het landgoed, gelegen aan de Belgische kant van Stevensweert, is bij hoog water nog slechts door een dijk met het vaste land verbonden. (Links en rechts van de dijk is normaal weiland.) De mysterieuze, onafhankelijke en aristocratische Anny Rutten ("juffrouw Houben") overleed op 88 jarige leeftijd na vrijwel haar hele leven op een landtong in de Maas gewoond te hebben. Ongewenste gasten verdreef zij met een jachtgeweer. Bij de overstromingen van 1995 weigerde zij de Houbenhof te verlaten, hoewel haar eigendom van de bewoonde wereld was afgesneden. De laatste twintig jaar van haar leven leefde haar neef Henri bij haar. Belgi‘, Kessenich, 02/03/2002 De uitvaartbranche is zich terdege bewust van de psychische druk die op haar medewerkers rust. Foto Chris Keulen Keulen, Chris

De arbeidsinspectie deed afgelopen zomer een “proefonderzoek' naar de uitvaartbranche. Het onderzoek bij 22 bedrijven beoogde aan het licht te brengen welke problemen er in deze branche spelen op het gebied van arbeidsomstandigheden. De inspectie kwam tot de slotsom dat men zich intern “voldoende bewust' is van het gegeven dat de fysieke en de emotionele belasting risico's met zich meebrengen.

Traumadeskundige Jaap Koers onderschrijft de bevindingen van de arbeidsinspectie. Volgens hem is met name de belangstelling voor psychische belasting toegenomen in de uitvaartwereld. Koers deed ruime ervaring op met traumaopvang bij politie en brandweer. Hij is ook als maatschappelijk werker verbonden aan het Rampenidentificatieteam en verzorgde vele debriefings van uitgezonden RIT-medewerkers, waaronder ook de uitvaartverzorgers van het team Postmortale zorg (onderdeel van het RIT). Bij het opleidingsinstituut Docendo, dat zich richt op de uitvaartbranche, geeft hij een eendaagse training “Omgaan met psychische belasting'. Er is een aparte cursus voor medewerkers en voor leidinggevenden.

In de uitvaartbranche is sprake van een bijzondere vorm van psychische belasting, meent Koers, omdat mensen voortdurend worden geconfronteerd met emoties van anderen. “Daar hoef je niet overspannen van te raken of een burn-out van te krijgen, als maar wel erkend wordt dat het een bijzondere vorm van psychische belasting is. Je moet erover praten en bij medewerkers naar informeren. Dat begint te komen.“

Koers ziet een duidelijke overeenkomst tussen de uitvaartwereld nu en de politie en de brandweer van 15 jaar geleden. Volgens hem was lange tijd in de “machowereld' van brandweer en politie de emotionele kant van het werk een onontgonnen terrein. “Nu erkent men dat emotie veel met je kan doen. De uitvaartwereld loopt daar nog op achter. Het machogedrag is daar nog steeds aanwezig.“

Hij komt tijdens zijn cursussen geregeld mensen tegen die in de problemen zijn gekomen. “Ze durven hun ervaringen niet te delen, omdat ze bang zijn uitgemaakt te worden voor “watje' en dus voelen ze zich eenzaam in hun werk.“ Volgens Koers is er vooral bij de kleine uitvaartondernemingen nauwelijks iets geregeld. Hoe groter de organisatie, hoe beter het vangnet is georganiseerd. Een goed vangnet betekent volgens Koers dat de organisatie om te beginnen de bijzondere psychische belasting moet erkennen. Daarnaast moeten leidinggevenden getraind worden in het herkennen van signalen die duiden op overbelasting en de vaardigheden leren om daarop in te spelen.

Op begraafplaats en crematorium De Nieuwe Ooster in Amsterdam bestaat sinds enige tijd zo'n vangnet. Directeur van De Nieuwe Ooster, Marie-Louise Meuris, liet in 2004 een onderzoek uitvoeren naar de psychische belasting van de begraafplaatsmedewerkers. “Ik heb dat laten doen omdat ik ervan overtuigd ben dat de dagelijkse confrontatie met de dood, met emoties en verdriet zijn sporen nalaat“, zegt ze. Er is volgens haar lang een sfeer geweest van “we rechten onze rug'. Maar zij gelooft dat “het wat met je doet' wanneer je voortdurend te maken hebt met mensen die verdrietig zijn, en voortdurend wordt geconfronteerd met de eigen sterfelijkheid. “Na ons onderzoek hebben de leidinggevenden trainingen gevolgd hoe ze hun mensen moeten coachen, zodat ze eerder in de gaten hebben als er wat aan de hand is. Ze kunnen nu beter signalen oppikken en daarop reageren.“ Ook heeft Meuris bij de stadsdeelraad, waar de begraafplaats onder valt, bewerkstelligd dat het salaris werd verhoogd van de medewerkers bij wie het meeste sprake was van psychische belasting. “Ik vond dat we de psychische belasting op een betere manier moesten doorberekenen. Ik ben door roeien en ruiten gegaan, ik ben er twee jaar mee bezig geweest, maar ze zijn wel een schaal hoger gekomen.“

Angeline Donk, een van de onderzoekers op De Nieuwe Ooster: “De meeste mensen in deze sector zullen niet zo snel overstuur raken door de confrontatie met vervelende dingen. Maar dat wil niet zeggen dat die traumatische ervaringen niets met ze doen. Het zijn allemaal steentjes die zich opstapelen. Pas als er een kritische grens wordt overschreden, blijkt dat alles wat zich in de jaren daarvoor heeft afgespeeld, heeft bijgedragen aan die berg steentjes.“ Volgens haar kunnen mensen zo overgevoelig worden, dat ze weinig meer kunnen verdragen. Of ze worden juist cynisch, hard en ongevoelig. Een opstelling die ze als traumadeskundige in de gezondheidszorg ook heeft waargenomen onder bijvoorbeeld ambulancepersoneel.

Een van de bedrijven, die werden bezocht door de arbeidsinspectie, was Vredehof Uitvaartverzorging in Enschede. Na de vuurwerkramp in 2000 was Vredehof betrokken bij de berging van de stoffelijke overschotten. Op vliegbasis Twenthe was Vredehof verantwoordelijk voor de inrichting van de hangar waar de slachtoffers werden opgebaard en waar de eerste opvang en begeleiding van nabestaanden plaatsvond. “Waar onze mensen nog het meeste last van hadden, was de situatie die ze aantroffen toen ze het rampgebied introkken“, zegt directeur Herman Wormgoor. “Al die rook, het was duister als de nacht. Van de ene tel op de andere bevonden ze zich in een soort oorlogssituatie. Dat heeft meer impact gehad dan het omgaan met de overledenen.“

Dat de vuurwerkramp geen grote psychische sporen heeft achtergelaten, komt volgens Wormgoor omdat er binnen zijn bedrijf aandacht en zorg is voor het psychisch welbevinden van de medewerkers. Kort voor de vuurwerkramp had Wormgoor nog contact gehad met de bedrijfsmaatschappelijk werker van de regiopolitie Twente over het omgaan met psychische belasting. Vredehof past hetzelfde systeem toe als de regiopolitie, gebaseerd op collegiale opvang. “In de teams zijn mensen aangewezen die hun ogen en oren open houden. En, heel belangrijk, onze mensen krijgen de gelegenheid om stoom af te blazen. We zorgen dat ze met elkaar kunnen bijpraten. Als er iets is, wordt er tijd voor gemaakt.“ Dat er nauwelijks verloop is en het ziekteverzuim erg laag is, wijst volgens hem op het succes van de aanpak.

Wat volgens Wormgoor een belangrijk verschil is tussen uitvaartverzorgers en andere hulpverleners is “dat wij gewend zijn met de dood om te gaan. Dat is ons vak. Het is heel traumatiserend als je wilt helpen, maar het kan niet meer. Daar hadden de andere hulpverleners veel last van. Als je kunt omgaan met het feit dat iemand is overleden, is dit heel dankbaar werk.“

Ook Dela - met jaarlijks meer dan 22.000 uitvaarten de grootste uitvaartverzorger in Nederland - heeft een “intern sociaal-emotioneel vangnet' opgezet, met mensen die zijn getraind om anderen bij te staan. Aanleiding was de ramp met het Hercules-transportvliegtuig in Eindhoven in 1996, waarbij meer dan dertig mensen omkwamen. “Dat was ook voor ons behoorlijk heftig“, zegt directeur uitvaartzorg Jack van der Putten. Dela deed daarna een beroep op het Instituut voor psychotrauma voor begeleiding van de medewerkers. “We hebben het buiten de deur gezocht maar daarvan werd geen gebruikgemaakt. Het aanbod werd gewaardeerd en men vond het belangrijk dat er aan was gedacht, maar de drempel om met iemand van buiten hierover te praten, was kennelijk te hoog.“ Daarom besloot Dela eigen mensen op te leiden voor ondersteuning. Toch blijkt dat het vooral de eigen leidinggevende is op wie een beroep wordt gedaan. Van der Putten: “De rol van die leidinggevende en de onderlinge relatie tussen collega's zijn het belangrijkst voor de psychologische weerbaarheid van de medewerkers. Een leidinggevende moet veel met zijn mensen bezig zijn en moet collega's de ruimte geven hun ervaringen met elkaar te delen. Daarop selecteren we ze ook.“ Een bijkomende factor die maakt dat de “collegiale opvang' werkt, is dat er steeds meer vrouwen bij Dela werken. “Zij kunnen makkelijker emoties delen. Mensen die langer in het vak zitten, dat zijn voor het merendeel mannen, hebben daarmee meer moeite.“

Getuige de ervaringen in Amsterdam, Enschede en bij Dela zijn een goed team en collegiale opvang in de praktijk meestal voldoende om problemen te voorkomen. Meestal, maar niet altijd. Johan Schokker beschreef in het boek De Skrauw (Volendams voor schreeuw) hoe hij als Volendamse uitvaartverzorger uitvaart na uitvaart moest regelen voor de slachtoffers van de cafébrand van de nieuwjaarsnacht van 2001: “Steeds weer kalm blijven, geruststellende woordjes spreken tot je ze je strot bijna niet meer uit kunt krijgen. Toen ik later alleen in de auto zat, hield ik het niet meer. Voor het eerst in 23 jaar stroomden de tranen over mijn wangen. Ik huilde. Ik heb om kracht gebeden, sprak mezelf moed in om door die volgende voordeur naar binnen te gaan. Het lukte, maar wat kostte het een moeite om te luisteren. Ik hield me groot, zoals ik gewend was, zoals mij geleerd was en keerde terug in de persoon van de uitvaartondernemer met een luisterend oor, en met precisie besprak ik de details.“

Het boek verscheen twee jaar na de brand. Nu, weer twee jaar later, vertelt Schokker dat hij nog dagelijks met de gevolgen van de ramp te maken heeft. “In een kleine gemeenschap als Volendam zorgen wij ook voor het onderhoud op de begraafplaats. Daar komen we veel nabestaanden van de slachtoffers tegen. Mijn vrouw heeft heel lang een groep ouders begeleid. Daarom is het tot op heden nog niet mogelijk geweest er een punt achter te zetten. We zitten er eigenlijk nog steeds middenin.“

Het verschil tussen zijn eigen ervaringen en de ervaringen elders verklaart Schokker uit het feit dat hij alle uitvaarten van begin tot einde begeleidde, in tegenstelling tot veel uitvaartverzorgers bij grote uitvaartondernemingen. Daardoor was het contact met de naasten veel intensiever. Het maakt volgens hem ook uit dat Volendam een kleine gemeenschap is, waardoor de confrontatie met de rampzalige nieuwjaarsnacht nog dagelijks voelbaar is. “Tot aan de ramp was er geen enkel probleem. Het was letterlijk zand erover en we gaan weer verder. Na de ramp is dat aanzienlijk veranderd. Ik heb nog steeds plezier in mijn werk, anders was ik wel gestopt. Maar het onbevangen werken, dat is geweest.“

    • Jasper Enklaar