Belastinggeld voor glasvezel is een prima optie

Wanneer overheden op een goede manier de aanleg van nieuwe netwerken stimuleren is dat perfect voor de verdere innovatie van Nederland, meent Pieter Visser.

Volgens de directeur van de koepel van kabelbedrijven Vecai, Rob van Esch, brengt belastinggeld voor glasvezel de innovatie in gevaar (Opinie & Debat, 7 januari). Dat is maar zeer de vraag.

Op dit moment zijn de Nederlandse huishoudens aangesloten op twee telecom infrastructuren. Het koperdraad van de KPN en de Coax van de kabelbedrijven. Dat is al jaren zo, en daar heeft de komst van nieuwe telecomaanbieders niets aan veranderd. Wel is aan KPN door de OPTA de verplichting opgelegd haar netwerk open te stellen voor concurrerende aanbieders van diensten. De kabelaars kennen deze verplichting niet. Er worden dan ook nauwelijks diensten door derden over de kabel geleverd.

Met telkens nieuwe apparatuur en/of technologieën worden de twee netwerken die oorspronkelijk bedoeld waren voor telefonie en televisie opgewaardeerd. Om de steeds hoger wordende up- en downloadsnelheid (bandbreedte) waaraan de consument behoefte heeft en om de concurrentie met “het andere' netwerk aan te kunnen, is deze apparatuur binnen enkele jaren technisch verouderd en moet plaatsmaken voor nieuwe. Dit kost veel geld, en prijzen blijven dan ook relatief hoog. Om dit te doorbreken is door KPN twee jaar geleden het “Deltaplan Glas' gelanceerd. Volgens dit plan zouden KPN en kabelaars voortaan hun diensten verlenen over een gezamenlijk nieuw te bouwen landelijk glasvezelnetwerk. Partijen konden het echter niet eens worden over de grootte van ieders stuk van de taart.

Vriend en vijand zijn het inmiddels eens dat glasvezel op termijn het enige medium is, dat over voldoende capaciteit beschikt om op verantwoorde wijze aan de goeiende vraag naar bandbreedte te kunnen voldoen. Dat het aanbieden van diensten over glasvezel beter en goedkoper kan, dan via de traditionele infrastructuren is in een aantal gemeenten, waar de aanleg van glasvezel werd gestimuleerd, inmiddels aangetoond. Dat de “traditionele aanbieders' in die gebieden plotseling lokaal tegen een lager tarief gingen aanbieden is een interessant neveneffect.

Mede dankzij initiatieven in deze gemeenten en door sommige woningcorporaties, beginnen marktpartijen en investeerders nu te zien, dat er kansen zijn voor een nieuwe infrastructuur. Een infrastructuur die veel meer mogelijkheden biedt dan de twee bestaande, die klaar is voor toekomstige diensten en bandbreedtes, en de burger bovendien minder kost. Wanneer je zoiets wenst voor de bevolking, dan mag je je daar als overheid best hard voor maken. Natuurlijk wil de Vecai niet dat haar met belastinggeld het brood uit de mond wordt gestoot, maar wanneer nu al bekend is dat over enkele jaren glasvezel moet worden aangelegd omdat bestaande netwerken verouderd zijn en niet meer voldoen, dan kan van een overheid niet verwacht worden dat deze stil zit tot het te laat is.

Dat belastinggeld voor glasvezel “de innovatie' in gevaar zou brengen wordt door Van Esch niet aangetoond. Dat de traditionele netwerken door de komst van glasvezel minder waard worden is wel duidelijk, maar of dit nu met publiek of privaat geld gefinancierd wordt zal niet veel verschil maken.

Dat het op grote schaal op de markt brengen van bijvoorbeeld digitale gezondheidsdiensten (te denken valt aan een video op de computer om met een verpleegster te praten) op zich laat wachten heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is de bandbreedte van traditionele netwerken relatief duur, de gegarandeerde beschikbaarheid en kwaliteit van het netwerk is vaak onvoldoende, maar vooral de versnippering van de aanbieders met ieder hun eigen toegangsregeling, netwerkprotocollen en randvoorwaarden maakt het voor deze aanbieders lastig hun diensten op grote schaal “uit te rollen'.

Enige overheidsbemoeienis bij de aanleg van nieuwe netwerken kan dit soort problemen in de toekomst voorkomen. Het stellen van eisen aan deze netwerken is een logisch gevolg van het feit dat je niet wilt toestaan dat straks bijvoorbeeld twee glasvezelnetten naast elkaar komen te liggen. Het is in het belang van de burger, dat hij toegang heeft tot digitale diensten voor een lage prijs. Wanneer één netwerk in die behoefte kan voorzien is het verstandig, dat de overheid meewerkt aan de totstandkoming daarvan met een open infrastructuur. Dat betekent dat iedere dienstverlener tegen gelijke voorwaarden zijn diensten over dat netwerk kan verlenen.

Je kunt in ons land veel aan de markt overlaten. Soms is het echter ook verstandig de markt wat te helpen. Zo hebben we de markt geholpen aan één telefoonnet en één kabelnet. Nou moet de overheid niet meteen alle investeringen op zich nemen voor één glasvezelnet, maar wanneer de overheid een aantal randvoorwaarden stelt die in het algemeen belang zijn, dan is het niet vreemd dat hier in sommige gevallen publiek geld tegenover wordt gezet.

Inmiddels is een overzichtelijk geheel aan richtlijnen beschikbaar gekomen over de activiteiten die overheden in dit opzicht kunnen ondernemen zonder daarbij de markt te verstoren.

Het verzet hiertegen van de Vecai is begrijpelijk, maar wanneer overheden op een zorgvuldige manier de aanleg van nieuwe netwerken stimuleren, dan geeft dat juist een uitstekende impuls aan de verdere innovatie in Nederland, waardoor de economie en de concurrentiepositie verder zullen verbeteren.

Pieter Visser is projectontwikkelaar van breedbandnetwerken.