Begrip armoede destijds niet gerelativeerd

J.M. Bik merkt terecht op in `Balkenende, Bos en de economie` (Opiniepagina, 3 januari) dat de ervaring van het kabinet-Lubbers I in 1986 heeft geleerd dat een kabinet goede resultaten bij verkiezingen kan bereiken ondanks ongunstige peilingen een jaar vóór die verkiezingen.

Bik vergist zich echter als hij stelt: “CDA-minister Onno Ruding (Financiën) [...] wekte grote woede door het begrip armoede te relativeren met verwijzing naar een imaginaire `Tante Truus`.“ Mijn standpunten in 1984 waren geenszins gericht op het relativeren van armoede in Nederland. Integendeel. Ik heb toen bepleit dat degenen die werkelijk en volledig afhankelijk zijn van financiële steun (zoals 100 procent blijvend arbeidsongeschikten) een voldoende hoog niveau van uitkering behoren te ontvangen, juist om te voorkómen dat zij buiten hun schuld in armoede geraken. Tegelijk heb ik toen bepleit dat de overheid een hardere houding inneemt jegens andere groepen uitkeringstrekkers onder wie jongeren die een werkloosheids- of bijstandsuitkering ontvangen. Mijn argumenten waren deels van budgettaire aard (de sociale zekerheidsuitgaven waren uit de hand gelopen) maar waren ook gebaseerd op de inhoudelijke noodzaak van onderscheid tussen verschillende groepen uitkeringstrekkers: gebaseerd op hun mogelijkheden en (gebrek aan) bereidheid om werk en dus eigen inkomen te vinden en/of te aanvaarden. Voor degenen die terzake zelf onvoldoende actief of bereid waren vond ik het nodig een strenger toelatings- en controlebeleid te voeren en/of het uitkeringsniveau te verlagen. Een dergelijk beleid heeft steeds meer ingang gevonden: terecht.

    • Dr. H.O.C.R. Ruding Oud-minister van Financiën