Armoede, ongelijkheid en westenwind

De presidenten Clinton en George W. Bush hebben gemeen dat ze zich geen van beiden druk hebben gemaakt over de ongelijkheid in eigen land. Clinton was president in de jaren van de grootste financiële bonanza van de twintigste eeuw - de jaren negentig - en hij heeft geprofiteerd van een unieke economische wind mee. Niemand hoefde te klagen want het ging iedereen eigenlijk ieder jaar wat beter. Toen Clinton het Witte Huis verliet, verdiende tien procent van de Amerikanen veertig procent van het totale inkomen van dat jaar. Wat vermogens betreft was het veel extremer: 1 procent van de Amerikanen bezat veertig procent van Amerika - ongelijkheden die alleen aan het begin van de vorige eeuw nog voorkwamen.

Clinton maakte er zich niet erg druk om, George Bush kwam zelfs met een belastingverlaging die praktisch uitsluitend de rijken bevoordeelt. Naar de onsterfelijke woorden van zijn vice-president Dick Cheney kort na en vanwege de (eerste) verkiezingsoverwinning: “We hebben er recht op“.

Inmiddels laat Amerika op de onovertroffen database van de Luxembourg Income Study in ongelijkheid onder twintig vergeleken landen alleen Mexico en Rusland nog achter zich. Dat is een groot verschil met de hoogtijdagen van Amerika uit de jaren vijftig en zestig, toen het land - dat wordt nogal eens vergeten - een redelijke middenmoter was in de verschillen tussen rijk en arm.

Is zoveel ongelijkheid erg?

Morele en emotionele bezwaren even terzijde latend, gaat het ook om de vraag hoeveel (on)gelijkheid een natie kan dragen zonder uit elkaar te vallen. Te veel gelijkheid is fnuikend voor de vitaliteit, te veel ongelijkheid is fnuikend voor de gemeenschapszin. Dat is niet voor elk land en ook niet voor elke tijd hetzelfde. In tijden van stagnatie kan wat meer ongelijkheid helpen, in tijden van grote economische groei is streven naar herverdeling meestal verstandig.

Amerika kon altijd veel ongelijkheid dragen: in weinig landen zijn de mensen, ook jongeren, zo trots op hun nationaliteit als in Amerika. Er is het seculiere geloof in Amerika, de American Dream, die mensen bindt. Bovendien is er de echte godsdienst. En ten slotte zijn er de grote particuliere liefdadigheid en het vrijwilligerswerk. Ook dat helpt de scherpe kantjes van materiële ongelijkheid af te slijpen. En gaat het toch nog mis, dan hebben state troopers dezelfde vaardigheid als Franse gendarmes, namelijk om er stevig op los te kunnen slaan.

Politieke partijen worden in Amerika niet dwingend geprikkeld om iets tegen te grote ongelijkheid te ondernemen. Immers, de minima gaan allang niet meer stemmen.

Nu werd Amerika recentelijk geconfronteerd met de schaduwzijde van deze ontwikkeling, toen de hele wereld zwarte armoedzaaiers in New Orleans zag wegspoelen. George Bush kreeg er fiks van langs. Temidden van alle schade ijlde de schande in alle recente jaaroverzichten nog na. Maar het is goed om Amerikaans en Europees perspectief hier niet te verwarren: vanuit Europa leek het een wake up call voor een socialer Amerika, voor veel Amerikanen was het primair een organisatorische blunder en een wanprestatie op het gebied van reputatie-management.

Waar staat het oude Europa in deze trend?

De meeste West-Europese landen hebben een kleine halve eeuw van sociaal-democratie achter de rug met veel minder ongelijkheid. Dat is sinds de jaren negentig wat aan het veranderen. Ongelijkheid is meer geaccepteerd door een - alweer - overgewaaid Amerikaans fenomeen van de glamour-rijkdom. Het entertainment-genre - beetje ordinair - is met dank aan de commerciële televisie in Europa overal te bezichtigen, “PC Hooft-tractoren' rijden van Nice tot Hamburg. De nieuwe rijken bevolken de televisiewereld, exploiteren de kleine man op het scherm met spelletjes, hartverscheurende en hemeltergende verrassingen alsmede aan- en uitkleedpartijen. Het volk mag er graag naar kijken.

Naast dit culturele verschijnsel zijn het vooral ook de mores van het internationale kapitaal, van het internationale bedrijfsleven en de noodzaak de eigen samenlevingen te revitaliseren die ook in Europa onvermijdelijk tot meer ongelijkheid leiden.

Maar het publiek wil uiteindelijk geen bezitsverhoudingen zoals in Amerika. Afgezien van de tokkies onder ons, gaan de meeste lage inkomensgroepen gelukkig nog gewoon naar de stembus en telt dus ook hun belang.

De communis opinio is nog dat grote ongelijkheid de samenleving schaadt: armoede werkt sociale uitsluiting in de hand, rijkdom leidt niet zelden tot sociale onthechting. Regeringen in Europa worstelen er geweldig mee. Ze proberen van alles. In Duitsland komt er nu zelfs als symbolisch gebaar een belasting voor de rijken. Deze zogheten “jaloezie-blasting' stelt overigens niets voor: 0,5 procent voor inkomens boven de 500.000 euro (voor gehuwden, 250.000 euro voor alleenwonenden).

Wat in termen van gewenste saamhorigheid in de huidige omstandigheden beter zou zijn is het belasten van vermogens. Maar, zo verzuchtte onlangs de nieuwe Duitse minister van Economische Zaken Michael Glos, vermogen belasten lukt amper meer op nationaal niveau, want kapitaalvlucht ligt meteen op de loer. Voor de staat valt daar dus maar weinig te halen.

Wat zou helpen is een Europese schaal voor zulke elementen van herverdeling. De nieuwe EU-voorzitter premier Wolfgang Schüssel van Oostenrijk begon er eind vorig jaar ook over. Maar op veel steun hoeft hij niet te rekenen, want voor “meer Brussel' zijn de meeste nationale politici inmiddels minstens zo bang als voor het eigen volk.

Wat eventueel ook nog zou helpen, is een modern soort New Deal in Amerika zelf, een grootscheeps regeringsprogramma om extreme ongelijkheid enigszins het hoofd te bieden. Dan zou maatgevoel weer een mondiale trend kunnen worden. Er waait nu eenmaal meestal een westenwind en dan komt het beoogde maatgevoel gewoon deze kant op.

De kans er op is echter minimaal en wie op een New Orleans-signaal hoopt, verwart Europese wensen met Amerikaanse realiteiten. Als Europeanen een beetje greep willen houden op ongelijkheid, zijn ze derhalve tot elkaar veroordeeld. Maar “Europa' is geen mode meer en dus rest een klaagzang op misstanden in New Orleans - dat geeft een goed gevoel en verplicht tot niets.