Vragen over verjaring

De verjaring van moord is per 1 januari afgeschaft. Een succes voor de initiatiefnemer, het Kamerlid Dittrich. En een bron van vele vragen.

Het “slachtofferperspectief“ is een belangrijke reden voor afschaffing van verjaring van moord, heeft de Tilburgse hoogleraar Marc Groenhuijsen opgemerkt. Hij is de directeur van een nieuw onderzoeksinstituut voor slachtofferstudies. Toch heeft Groenhuijsen zijn bedenkingen.

Hoe sympathiek het appèl op het verdriet van nabestaanden ook overkomt het is zeer de vraag of het ad infinitum verlengen van een periode van onzekerheid uiteindelijk voor hen de beste oplossing is. Weegt voordeel van een enkele - toevallige? - berechting op tegen het permanent instandhouden van valse verwachtingen voor een veel grotere groep?

Bovendien is de emancipatie van het slachtoffer binnen het strafrecht tot dusver nadrukkelijk niet bedoeld ten koste van de rechtspositie van verdachten in strafzaken. De antiverjaringswet doorbreekt dit beginsel. “Ik zou zeggen: genoeg is genoeg“, vond Groenhuijsen in 2003. Dit is sinds 1886 ook een grondbeginsel van ons strafrecht. Dat heeft een dubbele reden. Een lang tijdsverloop tast de bewijsvoering aan en vermindert de zin van strafoplegging.

Maar nu is er DNA-bewijs. Dat vormt naast het slachtofferperspectief een belangrijke reden voor de nieuwe wet. Deze is echter “juridisch naïef', waarschuwde de hoogleraar rechtspsychologie P. van Koppen vijf jaar geleden in het Juristenblad: DNA is slechts het begin van bewijs. Een verantwoorde procesgang na zoveel jaren vergt meer dan technisch bewijs; men moet ook getuigen kunnen terugvinden. En al lukt dat, DNA helpt weinig tegen herinneringsvervalsing, die met de jaren toeneemt.

In een strafproces spelen bovendien ook andere vragen dan bewijs een rol. Hoe moet je na 18 jaar of langer bijvoorbeeld een beroep op noodweer aannemelijk maken? Het wordt voor een verdachte steeds moeilijker zich tegen een beschuldiging te verweren. Dat soort complicaties ondermijnt het argument van Dittrich c.s. dat vervolgingsverjaring (het blokkeren van een proces) niet zou passen bij het grote doel van de waarheidsvinding. Niet het minste probleem vormt ten slotte “het zinverlies“ van bestraffing na zoveel jaar, zoals Dittrich ook wel heeft erkend.

Ondanks alle vragen is de nieuwe wet met vlag en wimpel door het parlement gekomen. Maar hij roept direct een vervolgvraag op: moet verjaring ook niet worden afgeschaft voor andere ernstige misdrijven die de samenleving schokken? Minister Donner (Justitie) verklaarde in november daar geen mogelijkheid voor te zien omdat het moeilijk is zo'n speciale categorie met de vereiste duidelijkheid af te grenzen. Met alle begrip voor het leed van slachtoffers en nabestaanden vreest hij “uitholling“ van het rechtsinstituut van de verjaring.

Iedere verjaring kan trouwens worden gestuit, zoals dat heet, door een daad van vervolging door de justitie. De termijn begint dan opnieuw. Daar moet natuurlijk wel een goede reden voor zijn. Hierover deed de Hoge Raad in oktober een opmerkelijke uitspraak. Deze betrof een schokkend misdrijf uit 1986: de verdrinking van een 11-jarig jongetje nadat hij was misbruikt. Nadat het op de valreep was gelukt een DNA-profiel van de onbekend gebleven verdachte te reconstrueren vorderde de officier van justitie in 2004 een gerechtelijk vooronderzoek. Hij zei eerlijk dat hij daarvoor geen directe aanknopingspunten had. Zijn enige doel was de verjaring opnieuw te laten beginnen. De rechtbank vond dat misbruik van bevoegdheid, overigens in navolging van het handboek strafprocesrecht van het lid van de Hoge Raad G.J.M. Corstens.

De Hoge Raad oordeelde echter (met Corstens achter de groene tafel) dat het DNA-profiel voldoende was vanwege de mogelijkheid dat daar ooit een persoon bij gevonden zou kunnen worden. Voor moord maakt het nu niets uit, maar voor allerlei andere zaken die onder de verjaring vallen kan deze open beslissing bijdragen tot de “uitholling' waar Donner nu juist tegen waarschuwt.

kuitenbrouwer@nrc.nl

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

    • Frank Kuitenbrouwer