IND zegt nee – en dan is het woord aan de rechter

Bij de vreemdelingenrechter

Wie van de IND niet in Nederland mag blijven, stapt vrijwel altijd naar de rechter. Maar heeft de asielrechter hier genoeg over te zeggen? „In het bureaucratisch universum telt alleen exactheid.” Op reportage bij een asielrechter in Den Bosch.

Nanne Meulendijks

Na een uur gaat Ali Hassan (17) onverwacht staan. Hij ziet bleek en wankelt licht. Gaat het een beetje, vraagt de rechter. Hij knikt half, grijpt zich vast. Zijn advocaat onderbreekt z’n betoog. Ali staat op flauwvallen. Eén van zijn zusjes snelt toe. Ze verlaten samen de rechtszaal.

De familie zit op de eerste rij, zijn moeder, twee zusjes, een broer en een tolk. Een Syrisch gezin, uit Aleppo, met verblijfsvergunning, sinds 2015 in Nederland. Het zijn de enige statushouders die ik meemaak in de paar weken waarin ik asielzittingen bijwoon van de rechtbank in Den Bosch. Zaken waarin de asielaanvraag is geweigerd, niet in behandeling genomen of waarin de vreemdeling vastzit, in afwachting van terugkeer. Eén zaak draait om een geweigerde familiehereniging.

Ik woon 24 zaken bij, over 26 vreemdelingen uit 17 landen, verdeeld over vier zittingen, met zes rechters en vijf griffiers. In totaal ongeveer drie volle dagen.

Het tempo ligt hoog, rechters en griffiers worden tussentijds afgelost. Verrassing: de behandeling blijkt helemaal digitaal. Advocaten dienen geen stukken in, maar ‘loaden ze up’ via het portal ‘Mijn Rechtspraak’. Bij het sluiten van de zitting zegt de rechter: „Binnenkort verschijnt mijn beslissing in het digitale dossier van uw advocaat.” Naar rechtspraaknormen is dat Harry-Pottermagie.

Ik leer nieuw jargon. MOB, Met Onbekende Bestemming vertrokken. M35 formulier: opvolgend asielverzoek. LP-traject: laissez passer-aanvraag in land van herkomst. Ik hoor over AIDA-rapporten, uit de Asylum Information Database. Over de ‘Kabul Check’ via de Nederlandse ambassade waarmee afgewezen Afghanen zonder reispapieren toch kunnen worden uitgezet. Over SPRAR-opvanglocaties in Italië waartoe het „decreet-Salvini” de toegang sterk beperkte. Of een mogelijk Eritrese vluchteling geacht kan worden over een residence card, schoolpas of mobiliteitskaart uit het land van herkomst te beschikken. En zo niet, of dat bewijst dat hij ergens anders vandaan komt.

Dan is er het duizend-dingen-doekje van de IND – het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Binnen de EU nemen we als feit aan dat ieders rechtsstaat, procedures, opvang en bejegening van voldoende kwaliteit zijn. Klagen doet u maar daar, niet hier, krijgen advocaten te horen.

Veel munitie hebben advocaten niet. Hun kritiek richt zich meestal op ‘het gehoor’ – de IND schreef het verkeerd op, had moeten doorvragen of kapte juist informatie af. De opvang elders, de rechtshulp elders, de zorg elders, de asielprocedure elders, de veiligheid elders – ze vertonen ‘structurele tekortkomingen’, waardoor overdracht of uitzetting niet rechtmatig is. Nee, er was juist geen risico op ‘onttrekking aan het toezicht’, noch sprake van ‘ontwijken of belemmeren’ van het vertrek. Heus, een meldplicht had óók gewerkt, in plaats van bewaring.

Ongeveer een op de drie advocaten maakt er echt werk van: er wordt in recente jurisprudentie steun gezocht, verschillen tussen rechtbanken worden uitgemeten. Maar de meesten zeggen: „Ik hou het kort” of zelfs „Ik refereer me aan uw oordeel” en blijven zitten. Zij verwijzen naar hun schriftelijke inbreng. Pas als ik die twee weken later samengevat in de uitspraak terug lees, begrijp ik wat er heeft gespeeld.

Staand pleiten doet maar één advocaat. De vertegenwoordiger van de staat komt inhoudelijk nooit in problemen. Tweemaal worden advocaten inhoudelijk door de rechter gecorrigeerd. Op feiten, cijfers of wetsartikelen. Als ik de rechters na afloop vraag naar de advocaten beginnen ze meestal met complimenten. Er ‘zijn er’ die bevlogen zijn, alles lezen en veel weten. Maar het oordeel ‘kan beter’ hoor ik toch het meest. De uitleg: asiel is een snel bewegend Europeesrechtelijk terrein, waar je veel moet studeren om bij te blijven. De verdiensten zijn bescheiden. Veel kansen om inhoudelijk te scoren zijn er ook niet, merk ik al gauw.

De meeste debatten met de IND gaan over de vraag wie er nu wat moet bewijzen. Niet het asielverzoek of het vluchtverhaal staan centraal, maar de vraag of de beslissing goed in elkaar zat. De IND doet hier examen, niet de vluchteling.

De dilemma’s zijn intussen keihard. Mag bijvoorbeeld van afgewezen, net bekeerde asielzoekers worden geëist dat ze hun vers getatoeëerde christelijke kruis weer laten verwijderen om uitwijzing mogelijk te maken? Moeten verwesterde of homoseksuele migranten hun gedrag (weer) aanpassen aan het land waarnaar ze worden uitgewezen?

Wantrouwen regeert. Wie tijdens z’n vlucht niet overal steeds de juiste geboortedatum of leeftijd kon noemen, wordt geacht steeds te hebben gelogen over z’n identiteit. Ook als het maar om een paar maanden verschil gaat. De uitleg van advocaten, dat er bijvoorbeeld problemen waren met het tolken, dat ‘cliënt z’n geboortedatum niet kent’, of ‘niet kan tellen’ stuit op scepsis. In het bureaucratisch universum telt alleen exactheid. Juiste naam en geboortedatum zijn voor de IND essentieel om terugreispapieren te kunnen opvragen. Als ik ooit zelf moet vluchten ga ik eerst langs de notaris, neem ik me voor.

Flixbus

Reizen als illegaal binnen de EU blijkt verbluffend makkelijk. Een man uit Gambia nam in Italië de Flixbus met een fotokopie van andermans paspoort. Nu is hij hier.

De meeste zaken zijn kansloos. Landelijk oordeelt de rechter dat in 11 procent van de asielzaken de beslissing van de IND niet of niet helemaal correct tot stand is gekomen. Vrijwel iedereen gaat na een afwijzing door naar de asielrechter en daarna in hoger beroep, bij de Raad van State. De advocaten zijn gratis, griffierechten hoeven niet te worden betaald. Een rechtszaak zorgt voor uitstel van een eventuele uitwijzing. Het levert dus extra tijd in Nederland op, en vaak ook recht op opvang, soms zelfs cash geld. Als een vreemdelingenbewaring bij de rechter onrechtmatig blijkt, valt er een schadevergoeding van €80 of €105 per dag te incasseren. Het leidt tot zaken over bewaring die allang is opgeheven, van vreemdelingen die allang zijn vertrokken. Het belang is dan alleen nog de proceskostenvergoeding voor de advocaat. Of opheffing van het inreisverbod dat vooral geweigerde asielzoekers uit veilige landen krijgen. Men wil op familiebezoek kunnen blijven komen.

Ik zie één zaak waarin een Tunesiër in vreemdelingenbewaring klaagt dat hij juist niet snel genoeg wordt uitgezet. De IND zou zich méér moeten inspannen om uitreispapieren voor hem te krijgen, in Spanje. Hij wil gewoon naar huis. Eerst moest hij een celstraf uitzitten wegens een misdrijf. En dan daarna ook nog eens vreemdelingenbewaring.

De zittingen zijn eentonig. Steeds worden dezelfde bezwaren ingediend en even ritueel bestreden. Vier van de 26 asielzoekers laten verstek gaan: ze zijn MOB, ondergedoken of gewoon naar huis afgereisd. In één zaak is ook de advocaat afwezig. Het tempo gaat dan omhoog. Ik zie een vergaderingetje van vier juristen die turend op hun computerscherm en sprekend in code de zaak afhandelen. Zijn we bij de lichte gronden, of de zware? De muizen klikken, de griffier tikt onafgebroken. Af en toe stokt de WiFi of de ‘dossierviewer’ loopt vast. Gemopper: „Ik kan er niet in”.

Nanne Meulendijks

Suïcide met medicijnen

Na een dag houd ik de litanieën al niet meer uit elkaar. Zo veel stagnerende levens, zo veel treurige vluchtverhalen. Klachten over gebrek aan zorg, aan opvang. Verhalen over dakloosheid, over ziek zijn, over met geweld worden gedwongen vingerafdrukken af te staan. Ik zie wanhoop. Een neerslachtig ogende Afghaan probeerde suïcide met medicijnen – hij zit in bewaring in afwachting van verwijdering, onder constant cameratoezicht, waar hij slecht tegen zegt te kunnen. De IND-vertegenwoordiger gelooft hem niet. „Suïcide? Meneer werd slapend aangetroffen met lege pillendoosjes om zich heen.” Na het incident belandde hij in een ziekenhuis. Toen er een retourvlucht werd geboekt vroeg hij opnieuw asiel, nu omdat hij zich tot het christendom had bekeerd. De IND zag er vooral sabotage van de uitwijzing in.

Een Algerijn werd na een vechtpartij veertien dagen uit een AZC gezet. Hij claimt suikerziekte aan het slapen op straat te hebben overgehouden en maakt aanstalten wonden aan been en voet te tonen.

De spanning was voelbaar, de vervreemding tastbaar. „Ik voelde me aan m’n lot overgelaten, ik was niet gewenst” – ik hoor het keer op keer, vooral als motief om binnen de EU naar Nederland door te reizen.

Suïcide? Meneer werd slapend aangetroffen met lege pillendoosjes om zich heen

Albanezen die hier in vrachtwagens klimmen om het Verenigd Koninkrijk te bereiken, Afrikanen die uit de Middellandse Zee werden gered en daarna het overbelaste Italië ontvluchtten. Maar ook een Oekraïense huisschilder die dronken ergens tegenaan reed en celstraf kreeg. Gevolgd door vreemdelingenbewaring, want ongewenst en dus illegaal.

Dieptepunt: een jong Tsjetsjeens stel met twee kinderen van zeven en vijf jaar, die sinds 2011 heen en weer reizen tussen België, Frankrijk en Duitsland. Ze leven op straat, of in een auto, in een noodopvang. Ze hebben geen kansrijk vluchtverhaal, ze wachten de beslissing zelden af. Nu deden ze Nederland aan.

Steeds als hun kinderen ziek worden raken ze in paniek en vluchten naar een nieuw land, naar een nieuwe noodopvang, met een nieuwe procedure. Op basis van de Dublin-verordening wijzen de EU-lidstaten vluchtelingen terug naar het eerste land van aankomst. Nederland wil ze terug naar Frankrijk hebben. Maar daar vrezen ze dakloos te worden. Dat hoorden ze ook van „andere Tsjetsjeense gezinnen”. Hun oudste kind wordt straks acht; dan schijn je in Frankrijk geen onderdak meer te krijgen. De moeder weet het zeker.

Hip kapsel

Ik word snel wijzer over het leed van de vluchtende onderklasse. Ze komen uit Gambia, Libië, Soedan, Eritrea. Er is een Moldavisch/Oekraïens stel met een kind van drie, een Vietnamees, een Algerijn met een hip kapsel, vier Afghanen en een Iraanse moeder met volwassen zoon die christelijk werden. Hij zegt onder eigen naam een „evangeliserend” blog te hebben gepubliceerd, dat Teheran op zwart zette. Helaas maakte hij geen screenshots, dus bewijzen kan hij het niet. Ze hebben wel de ouderling van hun nieuwe kerk meegenomen, als getuige van hun geloofskracht. Die wordt ingezworen en krijgt van de advocaat exact één vraag: „Komen mijn cliënten bij u in de kerk?” Het antwoord is bevestigend. Meer vragen verzint hij niet.

Er zijn gemotiveerde vluchters, maar ook zwartwerkers of werkzoekers. Onder de vrachtwagenverstekelingen is één student. Na z’n bachelor geschiedenis aan een Albanese universiteit zei hij een Britse masteropleiding te willen doen. Britse diploma’s staan hoog aangeschreven in Albanië. Er is een Turkse man met een verlopen Oostenrijks visum, die hier al jaren ‘bij z’n vriendin’ woont en tegen een agent aanliep. Op het politiebureau maakte hij een verwarde indruk. Ook op z’n advocaat. Die vond echter snel z’n paspoort, regelde een retourticket en kreeg de IND zover om de man zichzelf uit Nederland te laten verwijderen. Wat ook gebeurde. De zaak gaat alleen nog over het inreisverbod van twee jaar dat iedereen uit een veilig land krijgt die hier zonder documentatie is. Hij wil vooral z’n vriendin kunnen blijven bezoeken. De IND werpt tegen dat zij net zo goed naar Turkije kan.

Komen mijn cliënten bij u in de kerk?

Ik zie een Eritrese asielzoekster van zeventien die vluchtte in 2012 en sinds 2014 in Duitsland is opgevangen. Ze reisde door naar Nederland omdat familiehereniging hier makkelijker zou zijn dan in Duitsland. En omdat ze vindt dat ze geen enkele steun kreeg van haar Duitse voogd. In de zaal zit haar Nederlandse voogd.

Vluchtelingen die medische zorg en onderwijs hier beter vinden, de bevolking minder vijandig, de noodopvang minder smerig. Die weten dat asiel in Nederland uitzicht biedt op huisvesting en bijstand. Veel beter dan de pensions in Italië waar je met z’n tienen één kamer deelt. Beter dan de tenten in Griekenland.

Voor het verblijf van het Tsjetsjeense echtpaar in Nederland heeft de advocaat precies één juridisch argument. Dit gezin naar Frankrijk sturen getuigt van „onredelijke hardheid”.

Nanne Meulendijks

Ali’s vader

De vluchtelingen werd op de zitting zelden iets gevraagd. De rechter spreekt met de advocaat en de IND-vertegenwoordiger. En kondigt dat ook bij aanvang aan, enigszins verontschuldigend. Dit is nu eenmaal bestuursrecht, waarbij de rechter niet op de stoel van de politiek mag gaan zitten. Maar dat ze duidelijk moeten maken als ze „iets niet begrijpen”.

In 24 zaken gebeurde dat niet één keer. In twee zaken zag ik dat de tolk geheel zweeg. Alleen als de rechter een directe vraag stelde was er vertaling. Die vluchtelingen kregen dus niets mee van wat er nog meer gebeurde, maar lieten dat stil passeren. De rechter merkte het niet op, de advocaat zei er niks van. In alle andere zaken was er wel simultaanvertaling. Eén zaak mislukt binnen een paar minuten – een Afghaan die bezwaar maakt tegen zijn opsluiting. De tolk stelt vast dat de man Pasjtoe spreekt, terwijl Urdu was besteld. Uitstellen dus. Is morgenochtend 09.00 uur een optie, vraagt de rechter aan de advocaat.

Lees ook: 17 jaar illegaal in Nederland: ‘Het leven gaat verder, ook als je geen papieren hebt’

Per zaak was de (alleen zittende) asielrechter vijf minuten tot drie kwartier bezig. Eén kwestie nam een volle middag in beslag. Dat betrof de Syrische Ali, die z’n vader wil laten overkomen uit Turkije. Dan is zijn familie weer compleet. Het is de enige zaak die ‘meervoudig’ wordt behandeld, met drie rechters. De enige zaak die ook al wat langer loopt, sinds deze zomer.

In de zittingszaal hangt een groot videoscherm – daarop had Ali’s vader live zullen verschijnen. Maar helaas, het scherm blijft zwart. De zitting begint daardoor een uur te laat. Als de telefoonstoring is opgelost werkt de videolink met het Nederlandse consulaat in Istanbul nog steeds niet. Nu doet de pincode het niet. Ali’s vader heeft in Turkije 22 uur voor nop in de bus gezeten om vragen van de rechtbank in Den Bosch te kunnen beantwoorden.

De zitting draait om wat zoon Ali in 2015 antwoordde op de vraag wat voor werk zijn vader eigenlijk deed. Antwoord: officier bij de veiligheidsdienst, sinds 1983. Waarna alle alarmbellen bij de IND afgingen. De Syrische veiligheidsdienst is immers het werktuig van het regime Assad: willekeurige detentie, martelingen, verdwijningen, chantage. Tegen de komst van het gezin had de IND geen bezwaar. Die mochten ‘nareizen’. Vader werd eerst per videoverbinding in Turkije gehoord, en daarna formeel geweigerd. Op hem rust nu een ‘1F verdenking’, genoemd naar de bepaling uit het Vluchtelingenverdrag dat landen toestaat om asiel te weigeren aan gevluchte verdachten van misdrijven tegen de menselijkheid.

De rechtbank moet beoordelen of die beschikking voldoende zorgvuldig is en goed gemotiveerd. Wie een 1F verdenking krijgt is nog niet jarig. In Nederland zijn een paar honderd, vooral Afghaanse ‘1F’ers’. Die zijn vrijwel rechteloos: ze zijn ongewenst, maar vaak niet uitzetbaar.

Ali (17) moet zich achter z’n tafeltje in de rechtszaal enorm schuldig voelen. Een groot deel van de zitting gaat over de vraag of hij had kunnen weten hoe belastend het was, wat hij destijds spontaan zei. Had de IND hem niet moeten vertellen dat hij niet op alle vragen zomaar antwoord had hoeven geven? „Een kind kan de gevolgen niet overzien van zo’n antwoord”, zegt de advocaat. Hij had niet kunnen weten dat Nederland er zo’n punt van zou maken. „Het was een hele gewone vraag – wat doet je vader”, verweert de IND-vertegenwoordiger zich.

Het was een hele gewone vraag – wat doet je vader

Alles draait om de verklaring van de asielzoeker. Is die consistent, aannemelijk, geloofwaardig, gedetailleerd en dus ‘waar’? Had Ali maar gezegd dat pa in een bakkerij werkte dan was hij zó met z’n familie binnen gereisd. De zitting gaat op aan het uitpluizen van vaders loopbaan bij de veiligheidsdienst. Zijn verhaal is dat hij daar ‘facilitair manager’ was, belast met computerbeheer, werkroosters, onderhoud, schoonmaak, archief, opslag. En dat hij zich van het actief screenen van burgers en het werven van verklikkers verre hield. En ook kon houden, gezien zijn rang: warrant officer first class. Ontslag nemen kon juist niet. Het zou als een daad van oppositie worden gezien en hem in moeilijkheden brengen. Bovendien was het tot 2011 in Syrië nog redelijk rustig: geen ‘systematische’ of ‘wijdverbreide’ schendingen van de mensenrechten. De IND-vertegenwoordiger gelooft het niet.

Ik hoor het in alle 24 zaken in alle varianten terug. Niet geloofwaardig, niet aannemelijk, niet onderbouwd, niet consistent, niet eenduidig. IND zegt nee. Na de zitting druipt iedereen af, teleurgesteld. Ali zit op de gang, het hoofd in de handen, flesje water op de grond. De rechtbank gaat het in januari nog eens proberen: vader moet toch echt z’n verhaal kunnen doen.

Lees ook: Tot de kern van de rechtsstaat hoort dat regels worden toegesneden op de menselijke maat

Werkinstructie Bekeerlingen

Het uitstel contrasteert met wat ik verder meemaak. Asielrecht blijkt de Formule 1 van de rechtspraak. Het tempo ligt hoog, niet alleen op de zitting zelf. Wat bij het strafrecht trots ‘snelrecht’ wordt genoemd – binnen zeventien dagen na het strafbare feit voor de strafrechter – is bij asielrecht dagelijkse praktijk. Asielrecht is flitsrecht. Van de 24 zaken die ik bijwoon gaat het gros over IND-beslissingen die hooguit veertien dagen eerder zijn genomen. De asielrechters doen uitspraak binnen één week, hooguit tien dagen. Ook op hoger beroep, bij de Raad van State in Den Haag, hoeft niet lang te worden gewacht. Binnen drie maanden kan een asielverzoek door de rechtspraak juridisch compleet zijn afgehandeld.

Ooit was dat totaal anders. Rechter Antoon Mosheuvel weet z’n eerste zaken uit 2003 nog. IND-beslissingen van anderhalf jaar geleden of ouder moest hij toetsen. Het was de tijd dat asielzoekers automatisch een vergunning kregen omdat de staat jaren deed over de rechtsgang.

Dat probleem is overigens niet weg; het zit nu in de wachttijd vóór de IND beslist. Een asielaanvraag moet wettelijk binnen acht dagen zijn behandeld, tenzij de aanvraag ingewikkelder is. Dan is een ‘verlengde asielprocedure’ aan de orde – die moet binnen zes maanden zijn afgehandeld. Dat blijkt steeds minder makkelijk te lukken. De wachttijd tot het begin van de asielprocedure is het afgelopen jaar door personeelstekort bij de IND opgelopen tot 51 weken. Op overschrijding door de IND van de zes-maandentermijn staat een dwangsom, van een paar tientjes per dag per aanvrager, met een maximum van 1.260 euro. In 2016 was de Staat daaraan 188.000 euro kwijt; in 2018 is dat opgelopen tot ten minste een miljoen.

Lees ook: Het kabinet wil de rechtsbijstand in de asielprocedure uitkleden. Dat kan eigenlijk maar één doel hebben: de verdediging van de asielzoeker verslechteren, zo stelt Martijn Stronks

De IND slaagt er ook niet meer altijd in zich op de zittingen in Den Bosch te komen verdedigen, zo hoor ik, nadat Nieuwsuur daaraan vorige maand een item besteedde. Inmiddels krijgt de IND een hint als er een ingewikkelder zaak aankomt, die niet zonder input van de Staat kan. Vooral om uitstel te voorkomen.

Ik zie precies één zaak waar de vreemdeling tien maanden moest wachten voordat de asielrechter de beslissing kon toetsen. Maar een gemiddelde asielzoeker zou in beginsel binnen vier maanden tot anderhalf jaar definitief uitsluitsel kunnen hebben. Het probleem zit, zo vertellen alle betrokkenen, in het niet vertrekken na de definitieve weigering. Dat, in combinatie met herhaalde aanvragen, wat als gevolg van onder meer het Vluchtelingenverdrag niet makkelijk ingeperkt kan worden.

Ik zie één zo’n casus, de Iraanse bekeerlingen. Moeder en volwassen zoon. Na hun eerste afwijzing in 2014 bleven ze in Nederland hangen. Ze zaten anderhalf jaar in de daklozenopvang. Dit najaar vroegen ze opnieuw aan de IND asiel, die dat weer weigerde. Wie eenmaal als bekeerling is geweigerd, wordt daarna strenger beoordeeld. Een nieuwe aanvraag mag geen ‘herexamen’ worden, zegt de IND-vertegenwoordiger. Er moet meer, iets nieuws, iets overtuigenders worden verteld dan eerst. De Iraanse vrouw houdt een mapje met christelijk geïnspireerde tekeningen in haar hand, bedoeld als illustratie bij de bundel met christelijke gedichten die haar zoon schreef. Ze wil ze laten zien, maar het hoeft niet. En het helpt ook niet. Hun weigering wordt terecht bevonden.

Met een paar klikken vind ik op internet de Werkinstructie Bekeerlingen 2018/10 van de IND voor de ‘hoor- en beslismedewerkers’. Dertien pagina’s, geldig tot 1 juli 2019 met een halve bladzij over „Opvolgende aanvragen nadat de bekering in een eerdere procedure ongeloofwaardig is geacht”. Moedeloos makende literatuur.

Waarborg tegen willekeur

Bij rechter Hermans maak ik vier beroepszaken van asielzoekers mee. Die waren representatief, vond hij.

Een jongen van wie onduidelijk is of hij uit Eritrea of Ethiopië komt. Iemand uit een veilig land, Algerije. Een doorreiziger, het minderjarige meisje dat in Duitsland asielstatus heeft maar toch naar Nederland ging omdat ze het een fijner land vindt. En de ‘herhaalaanvragers’, het Iraanse duo dat voor de tweede keer asiel aanvraagt, vanwege bekering.

Hoe beoordeelt rechter Hermans een staatssecretaris die de in alle instanties getoetste uitwijzing van de Armeense tieners Howick en Lily opzij veegt en ze tóch toelaat? „Ik gun het ze, maar systematisch bekeken kan je er heel weinig mee. Waar zo’n toelating in zit, dat is toch vrij ongrijpbaar. De rechter heeft het steeds behandeld en bekeken. Als rechtbank heb je het alleen langs de wet te leggen.”

Maar hoe moet het dán? „Als bestuur en politiek constateren dat ze er niet meer uitkomen, trek dan een lijn. Ieder die hier vijf jaar is, die niks strafbaars deed, geef die dan een vergunning. Het is inherent aan dit systeem dat je regelmatig met een schone lei moet beginnen.”

„De sleutel zit in de periode tussen de weigering en een eventuele vervolgaanvraag”, zegt rechter Christiaan Wijsman. „Als je daar iets aan wil doen moet er een effectiever vertrekbeleid zijn. Maar ja, de ontvangende landen moeten meewerken. Je kan geweigerde asielzoekers niet op een vliegveld zomaar uit het toestel duwen – ze komen er dan trouwens ook niet in.”

Ik gun het ze, maar systematisch bekeken kan je er heel weinig mee

Kan de asielrechter de IND wel voldoende tegenspel bieden? Ik begin het me na een zaak of tien af te vragen. Het gaat almaar over de vraag of de IND-ambtenaar wel een juridisch steekhoudende beschikking heeft opgeschreven. Niet over wat de asielzoeker zelf heeft meegemaakt. Hermans zegt, net als zijn collega’s, dat hij niet beslist over toegang tot Nederland en dat ook niet wil. De asielrechter gaat niet over het asiel, hij toetst de IND-beslissing, is het adagium. En dat vindt hij goed genoeg. Sterker, dat is „heel wat”. Het is een waarborg tegen willekeur, tegen discriminatie door de overheid.

Een strafrechter is helemaal autonoom. Die mag en kan feiten zelf vaststellen; het bewijs in strafzaken moet wettig en overtuigend zijn – zelfs als de officier vrijspraak eist, mag de strafrechter nog veroordelen. De asielrechter zit in bestuurlijk territorium: is het aannemelijk, zorgvuldig, consistent, verder gaat het niet. De vraag of in de IND-beslissing wel alles netjes is meegewogen is leidend. Was het gehoor eerlijk, is het oordeel over de geloofwaardigheid goed gemotiveerd? Niet op de stoel van de politiek gaan zitten met een beslissing over het asielverzoek zélf. Bovendien, zeggen de asielrechters, heeft de IND meer informatie en meer ervaring. „Wij zien alleen maar de geweigerde gevallen.” Dat stemt voorzichtig.

Overdracht aan Italië

Soms kruipt het bloed waar het niet gaan kan. „Je denkt zelf ook wel eens wat”, over een asielzoeker. Zoals? Hermans: „Bijvoorbeeld: ‘een sterk verhaal is het niet, maar het kan waar zijn’. Daar kan de asielrechter ook wel iets mee, zegt hij. „Er is meer eigen beslisruimte dan vroeger. Dankzij Europese rechtspraak en een ruimere opstelling van de Raad van State hoeft de asielrechter niet meer helemaal stil te zitten.” Hermans: „Vooral in de sfeer van zorgvuldigheid kun je wat. Is er voldoende gelegenheid geweest om het vluchtverhaal te vertellen. Dat kun je vol toetsen. Dat is inhoud. Ook in de motivering van de IND. Waaróm een relaas dan niet werd geloofd. Ik ga niet zelf zeggen of ik een vluchtrelaas wel of niet geloof, maar ik kan wel kijken naar wat er nog meer is. En of de IND dat wel goed meenam.”

Ik hoor dat terug in de zaak van de jonge Ethiopische of Eritrese man. Had de IND daar wel goed uitgezocht wat deze zeventienjarige wist van zijn dorp, zijn leefgebied en is hij wel bevraagd over de route die hij het land uit volgde? „Ik mis die elementen in de beschikking”, zei Hermans tegen de vertegenwoordiger van de IND.

Twee weken later blijkt Hermans het beroep tegen deze afwijzing inderdaad gegrond te hebben verklaard. Maar de jonge man heeft er niets aan: de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking blijven in stand. Ook omdat zijn verhaal voor het overige aan alle kanten rammelde en hij in Nederland een „laconieke en passieve houding” aannam, is de afwijzing terecht.

Het is typerend voor deze tak van het bestuursrecht. Kritiek van de rechter is geen garantie voor een andere uitkomst. In de praktijk schrijft de IND dan een nieuwe beschikking, waarin een afwijzing beter wordt onderbouwd. Niemand in de wandelgangen van de rechtbank weet het zeker, maar aangenomen wordt dat de IND pas echt van koers verandert als de rechter in dezelfde casus de beslissing tweemaal vernietigde. En dus definitief wél een vergunning geeft, een bewaring opheft of uitzetting intrekt.

Een „gezelschapsspel voor professionals”, zo karakteriseert één van de rechters het asielrecht licht ironisch. Met de IND, de vreemdelingenkamers van de elf rechtbanken en de Raad van State rond het bord. En het EU-Hof als regisseur, voor de grote interpretatiekwesties, waar rechters dan ‘prejudiciële vragen’ over stellen. Het asielrecht blijkt geheel geeuropeaniseerd. Letterlijk alle regelgeving is afkomstig uit Brussel of Luxemburg, in de vorm van richtlijnen of verordeningen.

Lees ook: De vreemdelingenkamer van de Raad van State verzaakt zijn taak. Er wordt vooral gezocht naar bewijs dat een asielzoeker géén vluchteling is

Soms blijven kwesties ‘hangen’. Ik hoor in de pleidooien van advocaten dat ‘Den Bosch’ minder kritisch zou zijn over de opvang in Italië dan de rechtbanken in Utrecht en Amsterdam en dus overdracht aan Italië nog wel goedkeurt, terwijl Utrecht en Amsterdam dat niet meer doen. De Raad van State hakte vlak voor kerst dit knoopje door: overdragen aan Italië is nog steeds verantwoord. Doordat het aantal asielzoekers afneemt is de druk op de opvang er immers verminderd. En er wordt in Italië nog steeds apart rekening gehouden met eventuele kwetsbare asielzoekers die Nederland terugstuurt. Maar ook dat is niet het laatste woord. Uitspraken in het vreemdelingenrecht zijn altijd een momentopname, zegt rechter Mosheuvel. Als over een half jaar de opvang in Italië wel aantoonbaar is verslechterd, ligt de zaak weer open.

Verwesterde vrouwen

Asielrechters worstelden ook lang met het vraagstuk van de verwesterde vrouwen. Daar oordeelde de Raad van State dat er in sommige nauw omschreven gevallen ‘verwestering’ toch een reden voor een vergunning kan zijn.

Waterdicht is het asielrecht niet. Hermans: „Ik vraag me wel eens af of iemand die slim is en goed kan vertellen, niet makkelijker binnenkomt dan anderen die dat niet kunnen en dus geen asiel krijgen maar het wel verdienen. Het blijft een licht ongrijpbare materie. Misschien weigeren we soms de verkeerden een vergunning – en andersom”.

Ook rechter Wijsman ziet een zwakke plek, die wat hem betreft het hele bestuursrecht geldt. Dat is volgens hem het „herkennen van de uitzondering” door de staat. Alles moet immers passen in de ‘malletjes’ van de wet. Vooral als er dan een open norm speelt, zoals de ‘onevenredige hardheid’ waarop het zwervende Tsjetsjeense gezin een beroep deed, willen wet en beleid nog wel eens botsen met het gezonde verstand. „De reflex is dan om een nieuwe beleidsregel te schrijven en het ‘dicht te regelen’. Vervolgens is er dan een nieuwe situatie die daar dan weer niet in past en dus wordt afgewezen, ‘want we hebben toch alles geregeld’.”

Wordt de rechter niet meegezogen in de denkwereld van de IND, vraag ik. Wijsman: „Je gaat al gauw het jargon delen. Er is ook wel héél veel beleid gemaakt. Als je dan vraagt aan de IND’er: moet u hier geen uitzondering maken, moet u niet anders wegen, dan is dat voor de IND vaak heel lastig. Voor de rechter is het risico dat je IND-beleid als een lagere vorm van wetgeving gaat zien. En dat is het niet. De advocaat loopt dat risico ook – dat we over de gebaande paden blijven lopen.”

Binnen drie weken krijg ik de uitslagen van de 24 zaken. Er zijn exact twee beroepen gegrond verklaard. Behalve die van de jonge Eritreëer ook dat van een man uit Gambia. Hij heeft drie dagen ten onrechte in vreemdelingenbewaring gezeten. De IND had hem opgeroepen voor een verplicht gesprek, maar hem in plaats daarvan opgesloten, een handelwijze die de staatssecretaris onlangs had goedgekeurd. De rechter oordeelt dat de IND de bevoegdheid om iemand op te roepen heeft misbruikt. Het levert hem €240 op. Ik bleek live getuige van een échte correctie door de rechter. Een nog maar net door de staatssecretaris ingevoerde procedure is van tafel geveegd.

Voor dit artikel werd gesproken met de vreemdelingenrechters Sebastiaan Hermans, Christiaan Wijsman, Suzanne de Jong, Antoon Mosheuvel, Gerdjan Kipping en Petra Buijs.
    • Folkert Jensma