Stamceltherapie hart nog niet rijp

Stamceltherapie bij mensen die net een hartaanval hebben gehad halveert het gedeelte van de hartspier dat afsterft. Wellicht dat daardoor op den duur minder snel hartfalen bij de behandelde patiënten ontstaat. Maar dat is de enige positieve uitkomst van een onderzoek onder 67 hartaanvalpatiënten, uitgevoerd door cardiologen van het Leuvens universitair ziekenhuis Gasthuisberg en onderzoekers van het Stamcelinstituut Leuven en het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie.

In een afgelopen donderdag online gepubliceerd artikel in het Britse medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet concluderen ze dat vier maanden na de therapie de gehoopte verbetering in de hartpompwerking was uitgebleven. En dat ,,gezien de complexiteit en de kosten van de stamcelbehandeling“ er momenteel onvoldoende aanleiding is om de stamceltherapie in de gewone praktijk te introduceren.

De Belgen spoten bij 33 van de 67 deelnemende hartaanvalpatiënten eigen stamcellen in de getroffen hartspier. De patiënten waren na hun hartaanval allemaal gedotterd om het vernauwde bloedvat rond het hart waarin het infarct was ontstaan op te rekken. In het getroffen vat werd een stent geplaatst, een metalen gaasje om het vat open te houden. Een dag later is bij alle patiënten beenmerg afgenomen waaruit stamcellen zijn geïsoleerd.

Bij de helft van de patiënten zijn die stamcellen vervolgens ter hoogte van de geplaatste stent in de bloedbaan rond het hart gespoten. De andere helft van de patiënten kreeg een nepbehandeling. Bij hen werd een zoutoplossing ingespoten. Hun stamcellen zijn in de diepvries bewaard.

Na reageerbuis- en dierproeven en eerste experimenten bij mensen waren de verwachtingen over de uitkomst van deze eerste gerandomiseerde studie hooggespannen. Nu resteert de conclusie dat verder onderzoek nodig is.