Solo-aankomst

We kennen de regels van drie-keer-kussen, deur-open-houden en bedankbriefje. Maar wat te doen in situaties waar nog geen gedragsregels voor bestaan? Een poging tot hulp. Aflevering 1 van “de jungle': alleen, maar waardig, aankomen op Schiphol.

Het vliegtuig is geland, je bent door de chagrijnige paspoortrij heen en hebt voor de zekerheid in de wc bij de bagagebanden je tanden gepoetst en de slaapjes uit je ogen gehaald. Dat mocht ook wel, na een nachtvlucht uit Amerika. Of er op dit onchristelijk vroege tijdstip iemand is om je op te halen weet je niet, maar het zou natuurlijk kunnen. Je hebt wat sluikse blikken geworpen door de ramen waarachter al die blije mensen met ballonnen en bloemetjes staan, maar daar stonden geen bekende hoofden bij. Of is dat? O nee, een ander helblond iemand.

De koffer is op het wagentje, en nu komt het moment dat iedere solo-reiziger haat. Door die schuifdeuren heen, en dan de onvrijwillige fifteen seconds of fame. Een opgehieperde meute ophalers staat achter dranghekken te wachten, en ze kijken op dit moment allemaal naar jou.

Eerst keken ze nog even hoopvol, toen de deuren openschoven, maar nu ze jou zien, met je jetlag-oogjes en je coupe transatlantique, kijken ze teleurgesteld. Welkom thuis. Dit moment duurt maar kort, maar jij denkt dat alle ogen je blijven volgen. Alle mensen met spandoeken “Henny. Holland. Hoera.' en kinderen met zelfgemaakte tekeningen kijken naar jou. En het probleem is: jij moet naar hen kijken. Want je moet de hele menigte scannen om te zien of die ene attente vriend of lieve tante ertussen staat om jou op te halen.

Een situatie die twee kanten op kan gaan. Misschien staat de vriend er, en dan is het scannen niet erg geweest, want dan kan de meute zien dat je in iemands armen gesloten wordt en dat iemand “Wat ben je bruin!' tegen je zegt. De meute weet: er is iemand die van je houdt.

Maar als er niemand blijkt te zijn, voel je het medelijden van de ophaalmaffia. Zij dacht dat er iemand zou staan, maar er staat helemaal niemand. Ze moet helemaal alleen naar huis, met de trein, met die jetlag, met die zware koffer met cadeautjes. Ha! Cadeautjes. Voor wíé eigenlijk? Natuurlijk denken ze dat niet (of nou ja, een paar misschien), maar jij denkt dat ze dat denken en laten we wel wezen, wat je denkt dat anderen denken, daar gaat het uiteindelijk altijd om bij intermenselijk gedrag.

Het is zaak om niet stil te staan en niet rond te kijken. Blijf in een gestaag tempo doorlopen, niet te snel, anders mist de eventuele ophaler je. Houd de blik losjes gericht op een geel bord of een winkel, niet op mensen. De ophaler moet jou gezien hebben, want zoveel mensen komen er niet tegelijk door de deuren heen. Bovendien is je hoofd opvallend bruin. De ophaler heeft dus alle tijd om op je af te rennen, te roepen “Verrassing! Ik ben er!' en dan kun je alsnog stil blijven staan en aan gillend blije begroetingen doen.

Mocht er niemand op je afrennen, dan is er nog de volgende oplossing. Pak onder het lopen je mobiele telefoon. Dit is ook een teken voor de andere ophalers dat ze je niet meer hoeven aan te staren. Jij bent aan het bellen, dus geen verloren ziel meer. Ga naar de Ako in de aankomsthal - een verdekte plek - en bel degenen die zo lief zijn geweest je in het verleden op te halen. “Sta jij nu toevallig in de aankomsthal? Ik dacht, misschien ben je me komen halen maar ik was een beetje te vroeg/vertraagd dus misschien hebben we elkaar wel gemist! O, je bent er niet. Nee, geeft niet hoor. Oké, dan ga ik alleen naar huis.' (Het woord “alleen' nadrukkelijk uitspreken.) “Dat cadeautje krijg je dan snel hoor. Ja, ik had een cadeautje.' (Nu pruttelt de niet-ophaler iets schuldbewusts.) “Néé, is helemaal niet erg dat je er niet bent! Ik had er helemaal niet op gerekend. Ik ben toch doodmoe van de jetlag. Tot gauw!'

Twee vliegen in één klap. Je weet nu zeker dat er niemand per ongeluk met een verlept bosje tulpen in Vertrekhal 2 staat. En je weet zeker dat ze je de volgende keer wel komen ophalen.

    • Aaf Brandt Corstius