De gegroefde grijns van een Viking

In Zweden zijn 22 Vikingen gevonden met groeven in de voortanden. Het lijkt erop dat die als decoraties zijn aangebracht.

Ze zullen het uiterlijk van dit noordse manvolk niet hebben verzacht: groeven in de voortanden, die zichtbaar werden als zij lachten. Of grijnsden. Zij waren immers Vikingen en die golden bij hun tijdgenoten niet als goedlachs. Vanaf het jaar 800 tot 1050, de zogenoemde Vikingtijd, lieten de “Noormannen' Europa hun tanden zien, van IJsland tot Mesopotamië, van Ierland tot Rusland - plunderend, handeldrijvend en kolonies stichtend.

In Zweden zijn de afgelopen decennia vier grote begraafplaatsen blootgelegd uit de Vikingtijd. Caroline Arcini, een Zweedse archeologe, heeft 557 skeletten uit deze graven onderzocht. Bij 22 mannen vond zij in de snijtanden van de bovenkaak horizontale groeven, aangebracht met een ijzeren vijl. De vondst die Arcini beschreef in het decembernummer van de American Journal of Physical Anthropology is opmerkelijk, want dit is de eerste keer dat bij oude Europeanen bewijzen zijn gevonden voor opzettelijke gebitsverandering.

Twee begraafplaatsen liggen in het uiterste zuiden van Zweden; de twee andere op het eiland Gotland in de Oostzee. Arcini vond bij 22 individuen horizontale groeven aan de bovenkant van de voortanden. Het gaat alleen om mannen; de meeste waren jonge volwassenen toen ze stierven. Hun gebitten zijn in een goede conditie: bij maar twintig procent zijn enkele tanden aangetast door cariës. Slechts bij één persoon - een man uit Fjälkingen - was het kaakbeen geïnfecteerd rond de gevijlde tanden. De oorzaak van die ontsteking is niet duidelijk. De gevijlde groeven zijn enkele millimeters diep, maar het tandmerg (pulpa) is niet blootgelegd.

In alle 22 gevallen vertonen de middelste snijtanden van de bovenkaak vijlsporen; bij een enkeling zijn die ook te vinden op de laterale snijtanden of de hoektanden. Soms vertonen de tanden één diepe voor, soms meerdere ondiepe, parallel lopende groefjes. De diepte van de groeven varieert, maar blijkt geen verband te houden met de leeftijd.

Deze groeven, schrijft Arcini, zijn niet het gevolg van slijtage door het gebruik van de tanden als gereedschap. Bij oude skeletvondsten van Inuit (Eskimo's) zijn ook vervormingen van het gebit geconstateerd. Zij trokken dierlijke pezen langs hun tanden, zodat ze zacht genoeg werden om ze als garen te gebruiken voor kleding en schoeisel. Dat veroorzaakte geen groeven aan de buitenkant van de voortanden, maar in het snijvlak.

De gebitsafwijkingen bij de Vikingskeletten, zegt Arcini, zijn een cultuurverschijnsel: een opzettelijk aangebrachte verandering. De groefpatronen hebben veel weg van decoraties. Ze vertonen grote overeenkomsten op begraafplaatsen verspreid over Zweden, wat niet wijst op een lokaal gebruik. De betekenis blijft vooralsnog duister. Misschien waren het herkenningstekenen van een beroepsgroep, zoals handelaren. Misschien waren deze mannen krijgslieden, maar de aanwijzingen daarvoor ontbreken.

Opzettelijke gebitsverandering is al langer bekend van volken buiten Europa. De Maya's boorden gaatjes in hun voortanden en legden die in met goud of edelstenen. De Iban van Borneo vijlden hun voortanden tot spitse punten. De Mimikanen van Zuid-Nieuw-Guinea deden hetzelfde en dit werd door westerlingen uitgelegd als een teken van kannibalisme.

Emeritus-hoogleraar in de tandheelkunde Michiel Eijkman blijkt geboeid door Arcini's bevindingen: “De ingreep“, zegt hij, “was waarschijnlijk niet ondraaglijk. De groeven zijn kennelijk aangebracht door specialisten, daar waar het glazuur van de voortanden dik en bolvormig is. Ze dringen nergens door tot het tandbeen. Een pretje zal het vijlen niet geweest zijn, maar die pijn konden deze mannetjesputters wel verbijten.“