Afhaken is zege voor terrorisme

Alleen een klip en klaar positief kabinetsbesluit ondersteund door een parlementaire meerderheid kan de vreugdekreten in de grotten van de Taliban- en Al-Qaeda-strijders in Afghanistan doen verstommen, meent Arend Jan Boekestijn.

In Nederland wint de vorm helaas maar al te vaak van de inhoud. Toen D66-minister Brinkhorst eind vorig jaar triomfantelijk vertelde dat het kabinet slechts een voornemen had uitgesproken om een missie te sturen naar Uruzgan, was het voor een goede verstaander duidelijk welke ellende er op ons afkwam. Wekenlang zouden procedurele argumenten elk inhoudelijk debat in de kiem smoren. Aldus geschiedde.

Dat is betreurenswaardig omdat er bij de Nederlandse beslissing om naar Uruzgan te gaan grote belangen op het spel staan die een inhoudelijk debat verdienen. Om te beginnen is het toch curieus dat D66, dat nu zo hoog van de toren blaast, geen moeite had met de Nederlandse deelname aan de veel gevaarlijker door de Verenigde Staten aangevoerde Operation Enduring Freedom (OEF), maar wel met de veel minder problematische missie van de International Security Assistance Force (ISAF) in Uruzgan in het kader van de NAVO opeens overal bezwaren ziet. Het feit dat een relatief kleine politieke partij, die er niet voor terugdeinst de missie af te wijzen alvorens daarover informatie te ontvangen, een dergelijk majeur besluitvormingsproces domineert, is hoogst ongelukkig. Dit heeft het ontzag voor D66 niet overal doen toenemen, om over de internationale repercussies van een dergelijke gang van zaken nog maar te zwijgen.

Het is dus hoog tijd voor een inhoudelijk debat over deze missie waarbij de feiten geen geweld wordt aangedaan. Deze oproep is niet overbodig omdat sommige commentatoren zich niet altijd aan de feiten houden. Zo heb ik de laatste weken de volgende misvattingen geregistreerd:

1. De gekke-henkie-theorie.

Ben Knapen lijkt in zijn column (Opiniepagina, 14 december) te suggereren dat alleen Nederland zo gek is om zijn soldaten te sturen naar het wespennest Uruzgan. Nog even afgezien van de merkwaardige veronderstelling dat je nek uitsteken in de strijd tegen het terrorisme kennelijk negatief dient te worden beoordeeld, is deze constatering ook feitelijk onjuist. De Britten zijn bereid om zich met Denemarken en Estland te ontfermen over de provincie Helmand, die zeker zo gevaarlijk, zo niet gevaarlijker, is dan Uruzgan. De Australiërs gaan ons helpen in Uruzgan. En de Canadezen, inwoners van een land dat als soft bekendstaat, zitten al in Kandahar. Daarenboven zijn er nu al special forces van Frankrijk, nota bene onder Amerikaans bevel, in het zuiden van Afghanistan in de weer om de Taliban te bestrijden, terwijl de Duitsers in het noorden een getalsmatig indrukwekkende prestatie leveren. Naast de Verenigde Staten zijn er 35 landen die zich inspannen voor de veiligheid van Afghanistan en zeven daarvan leveren een grotere inspanning dan Nederland.

2. Door naar Uruzgan te gaan neemt Nederland deel aan een imperialistische oorlog.

Niemand minder dan J.A.A. van Doorn meent in zijn column in Trouw op oudejaarsdag de Uruzgan-missie te moeten vergelijken met de Atjeh-oorlog. Aangezien zelfs de Nederlandse koloniale mogendheid in Atjeh, die toch een veel betere uitgangspositie had dan de huidige Nederlandse staat in Uruzgan, er nooit in is geslaagd om de bevolking in dit gebied volledig te onderwerpen, dient Den Haag volgens de eminence grise van de Nederlandse sociologie de NAVO mede te delen dat zij niet op ons kan rekenen. Alsof er geen verschillen bestaan tussen het Nederlandse kolonialisme en de Nederlandse missie in Uruzgan!

Is het niet wat vreemd voor een vermeende koloniale mogendheid om van te voren aan te kondigen dat zij na twee jaar weer opstapt, zoals Nederland in geval van de missie naar Uruzgan heeft besloten? Is het ook niet enigszins merkwaardig om het slaan van waterputten en het trainen van het Afghaanse leger op een lijn te stellen met koloniale uitbuiting? Om nog maar te zwijgen over het feit dat de militaire technologie van de 19de en het begin van de 20ste eeuw totaal onvergelijkbaar is met die van vandaag. Van Heutsz had maar al te graag de beschikking gehad over Apache-helikopters.

3. Door naar Uruzgan te gaan neemt Nederland deel aan een failliete Amerikaanse buitenlandse politiek.

Hofland (Opiniepagina, 21 december), Sampiemon (Opiniepagina, 30 december) en Tromp (column in het eerste nummer van Elsevier van 2006) hameren graag op dit aambeeld. Deze voorstelling van zaken strookt echter niet met het gegeven dat er geen enkele twijfel over bestaat dat de Taliban in Afghanistan Al-Qaeda vrij spel hebben gegeven, waardoor de aanslag op de Twin Towers in alle rust kon worden voorbereid. Het is dan ook niet voor niets dat er een helder VN-mandaat aan het verblijf van de buitenlandse soldaten ten grondslag ligt. Wel hebben deze commentatoren gelijk dat de Amerikanen in het zuiden van Afghanistan weinig vorderingen hebben gemaakt door een eenzijdig militaire aanpak. Het aardige is nu echter dat de ISAF-landen die naar het zuiden trekken, een andere benadering dan de Amerikanen kiezen waarin het winnen van de hearts and minds van de lokale bevolking een veel belangrijkere rol speelt. Deze benadering sluit overigens wonderwel mooi aan bij de opvattingen van de PvdA over hoe terrorisme effectief bestreden kan worden.

4. Nederland moet niet naar het gevaarlijke Uruzgan gaan omdat er soldaten zullen sneuvelen.

Deze opvatting veronderstelt dat men het terrorisme zou kunnen bestrijden zonder dat men er zelf offers voor zou hoeven te brengen. Die veronderstelling is helaas onjuist. Een andere variant op deze redenering is dat andere landen dat maar moeten doen. Een dergelijke houding getuigt niet van overdreven bondgenootschappelijke loyaliteit. Elke soldaat in een beroepsleger weet dat zijn beroep risico's met zich meebrengt, hetgeen ons overigens niet van de verplichting ontslaat om gevechtseenheden op een zo verantwoord mogelijke manier in stelling te brengen.

5. Door naar Uruzgan te gaan herhaalt ons land de fouten van Srebrenica.

Ook die stelling is onhoudbaar. In tegenstelling tot Srebrenica is er in Uruzgan sprake van een helder mandaat, duidelijk omschreven rules of engagement waarmee commandanten uit de voeten kunnen en een exitstrategie (lange termijn) en een extractieplan (korte termijn in geval van noodsituatie). En onze F-16´s en Apache-helikopters zullen in Uruzgan niet lijdzaam toezien als Nederlandse grondtroepen in het nauw komen.

6. Nederland beschikt niet over voldoende veiligheidsgaranties in Uruzgan.

Die stelling is eveneens onhoudbaar. Om te beginnen beschikken de Nederlandse troepen over een grote slagkracht en kent het Nederlands detachement een hoog beschermingsniveau. Het is ook van belang om te weten dat de ongeveer 600 Amerikanen die zich nu in Uruzgan bevinden worden vervangen door 1200-1400 Nederlanders aangevuld met 250 Australiërs. Verder kunnen de manoeuvre-eenheden van de Britten in Helmand, de Canadezen in Kandahar en de Amerikanen in Zabul tijdelijk worden ingezet in een ander deel van Zuid-Afghanistan indien dat nodig is. Voorts beschikt de commandant van het regionale hoofdkwartier in Kandahar over een snelle-reactiemacht. Daarnaast beschikt ISAF in Kabul over reserves die reeds in Afghanistan aanwezig zijn. Ook Saceur kan zijn Strategic Reserve Force in een operatiegebied inzetten. Eveneens heeft recent de NAVO toegezegd het Nederlandse detachement te versterken indien daar aanleiding voor is. Ten slotte zullen Amerikaanse strijdmachten Nederland in geval van nood ondersteunen.

7.Vrede opleggen in Uruzgan is onmogelijk.

Volgens het D66-Kamerlid Lousewies van der Laan gaat het in Uruzgan niet om peace keeping maar om peace enforcing en zij heeft van een militaire deskundige, van wie zij de naam niet wil onthullen, gehoord dat een dergelijke missie militair onuitvoerbaar is.

Ook die redenering snijdt geen hout. Commandanten ter plekke zijn niet geïnteresseerd in academische discussies over de verschillen tussen peace keeping en peace enforcing. Zij willen een helder mandaat met adequate rules of engagement (hoofdstuk VII van het VN-handvest), en een uitstekende uitrusting. ISAF krijgt de bevoegdheid indien noodzakelijk om offensief op te treden. Aan al deze voorwaarden is in Uruzgan voldaan.

8. Nederland moet niet naar Uruzgan gaan omdat de Talibanstrijders die wij gevangennemen, uiteindelijk in Guantánamo Bay zullen belanden.

Deze opvatting is onjuist. Nederland heeft afgesproken dat onze gevangenen in een Afghaanse gevangenis zullen belanden waar zij niet gemarteld zullen worden en eveneens geen doodstraf zullen kunnen krijgen. Voorts zullen ISAF-mogendheden en internationale organisaties toegang krijgen tot de gevangenis om te kunnen controleren of deze afspraken daadwerkelijk worden nageleefd.

9. Nederland moet niet naar Uruzgan omdat er onvermijdelijk frictie zal ontstaan met Operation Enduring Freedom (OEF).

Ook dit probleem is ondervangen door goede afspraken. Om te beginnen zal de periode dat Enduring Freedom en ISAF in Uruzgan elkaar overlappen, beperkt zijn. Tijdens die periode zullen de Nederlandse militairen niet onder bevel geplaatst worden van OEF. Bovendien is er voorzien in een procedure die voorkomt dat de werkzaamheden van OEF en ISAF conflicteren. Overigens speelde hetzelfde probleem tijdens onze ontplooiing in Kabul en later in Noord-Afghanistan, en dat bleek toen in de praktijk mee te vallen. Niettemin zijn er nu nog veel betere afspraken gemaakt.

Nu al deze misvattingen uit de weg zijn geruimd kan de vraag aan de orde komen waarom wij naar Uruzgan zouden moeten gaan. Verreweg de allerbelangrijkste reden is dat Nederland er eenvoudigweg belang bij heeft dat de Taliban in Afghanistan worden bestreden. Indien de Taliban weer de overhand zouden krijgen verwerft de Al-Qaeda-cel van Abu Musal al-Zarqawi, die, naar verluidt, nu reeds in het zuiden van Afghanistan actief is, de gelegenheid om vele terroristen te trainen die vervolgens in het Westen en dus ook in ons land dood en verderf zullen zaaien.

De ervaring die het Nederlandse leger in Irak en in Afghanistan heeft opgedaan met het winnen van het vertrouwen van de bevolking wettigt de verwachting dat ons land dat ook in Uruzgan beter zal kunnen doen dan de Amerikanen. Juist de focus op wederopbouw maakt de kans groter dat de loyaliteit van de lokale bevolking jegens de Taliban zal verminderen. Natuurlijk is dit een moeilijk proces dat zeker in het begin onze soldaten voor grote uitdagingen zal plaatsen. Niets doen is echter geen optie omdat wij dan zeker weten dat de strijd tegen de Taliban ernstig wordt verzwakt met alle nefaste gevolgen van dien.

Het aardige is nu dat dit Nederlandse belang bij een verzwakking van de Taliban convergeert met het belang bij wederopbouw van de Afghanen. Op dit moment stokt de wederopbouw namelijk door de instabiliteit die het optreden van de Taliban veroorzaakt. Het is derhalve ook een Afghaans belang om deze patstelling te doorbreken. Indien ons land afhaakt dienen onze politici te beseffen dat het gevaar dreigt dat niet alleen het zuiden verder afglijdt maar dat ook de behaalde resultaten op het gebied van de wederopbouw in het wat veiliger noorden ongedaan worden gemaakt. En wat dat noorden betreft, het is goed om nog even in herinnering te halen, daar was een Kamerbrede meerderheid juist zo'n groot voorstander van een Nederlandse bijdrage.

Het is verstandig ons tijdens dit proces geen al te grote illusies te maken over de mogelijkheid om democratisering van buiten op te leggen, hoewel de recente verkiezingen hoopgevend waren. Afgezien van de vraag of men democratie wel kan exporteren dient men ook nuchter vast te stellen dat de Afghanen in hun geschiedenis zo vaak geleden hebben onder buitenlandse bezetting dat een langdurige en massale militaire aanwezigheid vermoedelijk contraproductief zal werken. Mede om deze reden heeft de NAVO gekozen voor een beperkte inzet, waarbij gesteund wordt op de plaatselijke warlords tenzij zij het al te bont maken. Waar het om gaat is dat de bestaande machtsverhoudingen in Afghanistan zo gewijzigd worden dat de Taliban geen rol van betekenis meer kunnen spelen.

Ten slotte dienen onze politici te beseffen dat een negatief besluit niet alleen de geloofwaardigheid van de NAVO ondermijnt, maar ook onze ISAF partners in het zuiden in grote problemen brengt. Het Nederlandse geaarzel is in het Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië slecht ontvangen. Er dreigt nu zelfs een situatie te ontstaan waar iedereen op iedereen wacht. Al-Zarqawi, die het aangekondigde vertrek van de Amerikanen reeds als een overwinning beschouwt, is er bij gebaat dat D66 in zijn afwijzende houding persisteert.

Ook de eis van het CDA dat tweederde van de Tweede-Kamerleden de missie dient te steunen is in deze kringen ongetwijfeld met groot gejuich ontvangen. Welbeschouwd kan alleen een klip en klaar positief kabinetsbesluit ondersteund door een parlementaire meerderheid de vreugdekreten in de grotten van Afghanistan verstommen.

Arend Jan Boekestijn is historicus en verbonden aan de Universiteit Utrecht.

    • Arend Jan Boekestijn