Aapjes tussen kabels

Het is Divali - het lichtfeest - maar toch vindt Nirmal India maar niks. Hij zou graag meekomen naar Nederland.

Kolonel buiten dienst Surendar Bakshi werft in Nederland gegadigden voor rondreizen in India. Zijn Bakshi Tours heeft een droomreis voor ons uitgestippeld. Mevrouw Bakshi vangt ons op in het New Bakshi House in Agra. Ze lijkt te schrikken als we voor haar neus staan. Aarzelend pakt ze het Edammer kaasje aan dat we voor haar hebben meegenomen. Naast haar staat een rijzige jonge sikh met een helblauwe tulband. Hij stelt zich voor als Nirmal Singh, een neef van de familie.

De stilte aan het welkomstdiner wordt verbroken als onze gastvrouw even van tafel is. Haar neef vertrouwt ons toe dat zijn tante van slag is omdat ze ons heeft herkend uit een vorig leven. Gerarda geeft me onder tafel een schop. Sinds een taxichauffeur op Sri Lanka ons bezwoer dat de honden die blaffend achter zijn auto aanrenden gereïncarneerde politieagenten waren, begin ik prompt te grijnzen wanneer dit onderwerp ter sprake komt.

Mijn vrouw praat met Nirmal over reïncarnatie alsof ze er heilig in gelooft. Terug aan tafel mengt mevrouw Bakshi zich in het gesprek. Ze ontdooit zienderogen. Mevrouw Bakshi blijkt een zeer geëmancipeerde vrouw te zijn. Als kind van rijke ouders zat ze bij de nonnen op school, maar dat had geen enkele invloed op haar eigen geloof. Gerarda en ik zijn zo vertrouwd voor haar, dat ze voorstelt elkaar bij de voornaam te noemen. Gerarda mag zelfs mee naar haar huisaltaar.

Met Nirmal als gids bezoeken we de volgende dagen het meest gefotografeerde bouwwerk van India, de Taj Mahal, evenals het rode fort, het spiegelpaleis en de verlaten Mogolstad. Gerarda wil alles weten over de sikh-religie. Tien goeroes passeren de revue en ook de vijf zogeheten kakkars, de kenmerken van de ware gelovige: het haar in een knotje, een ivoren kam, een zwaard of dolk, een stalen armband en legerondergoed. Op het laatste na krijgen we alles te zien. Op zijn beurt vraagt Nirmal ons het hemd van het lijf over Nederland. Hij wil er dolgraag heen. Zijn oom mist hem, zegt hij, maar wij hebben de indruk dat hij alleen maar weg wil uit India. Volgens hem zijn de mensen er lui en vies: “U vindt alles prachtig, maar ú gaat weer weg. Ik blijf er middenin.“

Na het avondeten laat hij ons het andere Agra zien. In een autoriksja tuffen we door een wirwar van overvolle straatjes en steegjes. We hebben het getroffen. Het is Divali; het lichtfeest. Overal stralen en twinkelen lichtjes en knalt vuurwerk. Er springen aapjes heen en weer tussen de trossen elektriciteitskabels boven ons. Ik vraag me af van wie de heilige koeien zijn die de doorgang versperren. “Van niemand“, roept Nirmal boven het lawaai uit: “U mag ze hebben, neem ze alsjeblieft mee naar Nederland.“

Het wemelt van de tulbanden. Ik wil er óók een. Nirmal brengt ons naar een kleermaker. Op de vloer tussen de sikhs gezeten, laat ik een meterslange wijnrode lap stof om mijn hoofd wikkelen. Bij een stampvol gebedshuis, een gurudwara, gaan de schoenen uit. Nirmal voert ons door de menigte naar voren, waar de “granthi' ons op zachte toon toespreekt en bloemenslingers omhangt.

Bij het New Bakshi House doet mevrouw Bakshi zelf open. Ze is onder de indruk van mijn verschijning en grijpt mijn handen. Ik prijs haar neef de hemel in en zeg dat “die jongen het verdient om naar Nederland te gaan“. Ze verstart. “Ik weet dat hij dat graag wil, maar hij mag mijn gasten er niet mee lastig vallen“, zegt ze. Op de gang horen we hoe ze Nirmal de mantel uitveegt. Even later komt hij bij ons langs. Zijn zwarte baard en droevige donkere ogen steken scherp af in zijn lijkbleke gezicht. “Kon ik maar meteen met u mee“, verzucht hij.

    • Otto Holzhaus