Zoontje? Oeioei!

Mijn zoon van dertien zit op huiswerkles, en op de eerste voorlichtingsavond van zijn nieuwe klas wilde ik wel eens weten voor hoeveel andere kinderen dat gold. En dus nam ik tijdens de rondvraag het woord. “Mijn zoontje zit op huiswerkles“, begon ik, en toen aarzelde ik even. Niet vanwege het vervolg van de vraag, maar vanwege dat zoontje. Ik vond dat opeens stom klinken. Betuttelend.

Sommige jongens van dertien zijn klein uitgevallen, andere zijn al hele kerels, maar eigenlijk doet dat er niet zoveel toe, het was vooral dat ik mijn zoon in het openbaar “zoontje' noemde. Jarenlang heb ik dat zonder problemen gezegd, maar opeens proefde het als een familiewoord.

Is er een bepaalde leeftijd waarop een zoontje een zoon wordt? Ergens aan het begin van de puberteit, vermoed ik. Kinderen zijn zich dan extreem bewust van hun presentatie, en als mijn zoon had gehoord dat ik hem publiekelijk zoontje had genoemd, had ik wellicht lik op stuk gekregen. Of hij was door de grond gezakt.

Overigens houden sommige ouders die verkleinvorm verrassend lang in stand. Ik had pas een man op bezoek, een vijftiger, die vertelde dat hij zijn zoontje had gevraagd om mee te gaan naar een tentoonstelling. Maar de jongen had dit afgeslagen want in de vakantie had hij geen zin om voor twaalven z'n bed uit te komen. “Hoe oud is je zoontje dan?“, vroeg ik verbaasd. ,,Hij is nu twintig'', zei de man.

Met mijn dochter heb ik dit probleem trouwens nooit gehad. Ook zij is ooit, zestien jaar geleden, klein begonnen, maar ik kan me niet herinneren dat ik haar vaak dochtertje heb genoemd. Een enkele keer misschien, maar zeker niet structureel.

Zelf ben ik al levenslang het broertje van mijn oudere zus, en mijn jongere zus noem ik geregeld zusje. Dat zijn echter geen hiërarchische familieaanduidingen meer (“Mag mijn broertje ook meespelen?“), maar koosnaampjes, en die zijn kennelijk veel langer houdbaar. Je eigen kinderen ontgroeien de verkleinvorm op een goede dag, simpelweg door groot te worden. Als broertje of zusje heb je levenslang, maar dat vind ik prima, want het kan heel prettig zijn om weer even klein te zijn, al was het maar een paar letters lang.

Nu we het toch over verkleinvormen hebben: er zou eens een inventarisatie moeten worden gemaakt van al die kleine uitroepen en tussenwerpsels die het Nederlands rijk is. Ik denk daarbij aan (stripachtige) woorden als ach, ah, aha, ai, arghh, au, bah, boe, brr, eh, gèt, gut, hè, hèhè, hé, ho, iiek, jee, jek, joh, joho, oeh, oei, oeioei, òh, òhò, poeh, poeh-poeh, tjee, tsss, tut-tut, uh, wooo (“wooo, gaaf ding!“), yes, zo en zo-zo. Het zal nog een hele klus worden om de betekenis van dergelijke woorden te definiëren. Bepalende elementen lijken mij verbazing, afkeer, twijfel, schrik, bewondering, pijn en aanmoediging, maar veel uitroepen kunnen van alles en nog wat betekenen. Zo onderscheidt de Grote Van Dale bij hè maar liefst negen verschillende betekenissen: 1. om krachtsinspanning uit te drukken; 2. uiting van pijn; 3. uiting van vermoeidheid; 4. uiting van opluchting; 5. uiting van (kinderlijke) bewondering; 6. uiting van voldoening; 6. uiting van voldoening; 7. uiting van teleurstelling; 8. om te kennen te geven dat men een bevestigend antwoord verwacht; 9. uiting bij een schampere of ongeduldige vraag. Kort samengevat: een uiting die afhankelijk van de context van alles kan betekenen.

Overigens blijkt Van Dale al veel uitroepen te kennen; uit het bovenstaande lijstje ontbreken er slechts zeven. Hier past een hè in betekenis vier.

Ontbrekende uitroepen en tussenwerpsels s.v.p. naar sanders@nrc.nl