Wereldbank gokt mis in Tsjaad

Oliewinning in Tsjaad moest een voorbeeld worden voor Afrika. Zonder corruptie. Met zorg voor het milieu. De Wereldbank heeft zicht vergist in het regime van president Deby.

De Wereldbank heeft mis gegokt. De bank stak in 1999 haar nek uit door 240 miljoen dollar te lenen voor een olieproject in Tsjaad, de grootste eenmalige investering ooit gedaan in Afrika, Maar de Tsjadische regering hield zich niet aan de afspraken, waarna hoofd van Wereldbank Paul Wolfowitz vrijdagavond alle andere leningen aan Tsjaad opschortte ter waarde van 124 miljoen dollar. De regering noemde gisteren het besluit van de Wereldbank “onmenselijk'.

Het olieproject in Tsjaad was uniek en had het goede voorbeeld moeten geven. Oliewinning heeft Afrikanen doorgaans niet rijker maar armer gemaakt. In Nigeria, Angola, Gabon en Equatoriaal Guinee ontpopte een ogenschijnlijke zegen zich als vloek: olie leidde tot corruptie, ontregeling van de economie, wanbestuur en oorlog. Tsjaad moest laten zien dat de valkuilen die behoren bij oliewinning in arme landen, vermeden konden worden. Door de betrokkenheid van de Wereldbank zou het project in het zuiden van Tsjaad het eerste in Afrika worden dat het milieu niet vervuilt, niet tot endemische corruptie leidt en de bevolking niet verpaupert.

De Wereldbank en Tsjaad sloten een uitzonderlijke overeenkomst: de regering moest 80 procent van de overheidsinkomsten uit de olie besteden aan sociale projecten (waarvan 5 procent in de regio waar de olie wordt gewonnen). Nog eens 10 procent zou in een fonds worden gestoken waaruit toekomstige generaties konden putten. Nooit eerder liet een Afrikaanse regering zich zo onder curatele stellen.

Drie jaar geleden trad Tsjaad toe tot het keurcorps van de olieproducerende staten. In de eerste jaren werd en 225.000 vaten olie per dag geproduceerd. Daarvoor zorgde een consortium onder leiding van Exxon/Mobil. Shell trok zich in een vroegtijdig stadium terug uit het consortium.

Het project kostte in totaal bijna vier miljard dollar. Daarvan was 2,2 miljard dollar bestemd voor de aanleg van een 1.080 kilometer lange ondergrondse oliepijpleiding door Kameroen naar zee. Op papier leken de afspraken waterdicht. De opbrengsten van het project gingen naar een rekening van de City Bank in Londen, zodat iedereen kon zien welk bedrag de regering ontving alvorens het naar de hoofdstad N'Djamena werd overgemaakt.

Eind vorige maand nam het Tsjadische parlement echter een wet aan waarin al deze speciale afspraken werden geschrapt. Sinds in 2003 de olie ging stromen, verdiende Tsjaad 306 miljoen dollar aan olieverkoop en werd 27 miljoen dollar in het fond voor toekomstige generaties gestopt.

De Tsjadische regering van president Idriss Deby staat zwak. Ze zegt dringend geld nodig te hebben om een politieke en economische crisis te bestrijden. De regering is al maanden niet in staat haar ambtenaren te betalen. Bovendien is een deel van het nationale leger gedeserteerd en probeert een nieuwe rebellengroep de regering omver te gooien. De spanningen zijn verder opgelopen door vermeende steun van buurland Soedan aan de pogingen de Tsjadische regering te verjagen.

Tsjaad behoort tot de allerarmste landen ter wereld en volgens Transparency International ook tot de meest corrupte. Het olieproject had tot een snelle metamorfose van dit straatarme en zanderige land moeten leiden, met een glorieuze rol voor de Wereldbank. Die hoop lijkt nu vervlogen.