Wenen heeft geen oplossing in de hoge hoed

Oostenrijk moet, als halfjaarlijks voorzitter van de EU, de vastgelopen discussie over de Grondwet vlot trekken. Een lastige taak in een land waar Europa weinig geliefd is.

“Niemand zit te wachten op een dictaat van het voorzitterschap en ik verkeer ook niet in de positie om oplossingen uit de hoge hoed te toveren“. Met deze woorden gaf de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Ursula Plassnik gisteren haarfijn aan hoe moeizaam haar land het komende half jaar zal moeten manoeuvreren om in Europa het debat over de fel omstreden Grondwet weer vlot te trekken.

Oostenrijk heeft per 1 januari het halfjaarlijks roulerend EU-voorzitterschap overgenomen van Groot-Brittannië. De belangrijkste opdracht waar het land voor staat is het vinden van een begin van een antwoord hoe het nu verder moet met het project met de volgens velen verkeerde naam, oftewel de Europese Grondwet. Ooit bedoeld als alomvattende regeling om de met steeds meer landen uitbreidende Europese Unie doelmatiger en doorzichtiger te laten werken. Maar voor de sceptische bevolkingen van de Unie groeide diezelfde Grondwet vorig jaar uit tot het symbool van ongevraagde en overbodige bemoeienis van een onherkenbare bestuurslaag. De kiezers in Frankrijk en Nederland die zich per referendum over de Europese Grondwet konden uitspreken, zeiden dan ook nee. Een daad waarmee ze volgens de Oostenrijkse vice-premier Hubert Gorbach het gevoelen vertolkten van de burgers in tal van andere Europese landen. En zeker ook de stemming in zijn eigen land, zo maakte hij gisteren duidelijk aan de vooravond van een bezoek van de voltallige Europese Commissie aan de nieuwe EU-voorzitter. “De mensen in Oostenrijk vinden het allemaal te snel gaan en staan ook zeer kritisch tegenover overregulering“, aldus Gorbach.

Toch zal Oostenrijk “iets' moeten doen met die Grondwet. Twee weken nadat Frankrijk en Nederland zich vorig voorjaar tegen de Grondwet hadden uitgesproken, kondigden de Europese regeringsleiders een periode van bezinning af. Na een jaar, deze zomer, moet een eerste evaluatie van dat denken worden opgemaakt. Aan Oostenrijk nu de taak deze tussenbalans voor de top van 15 en 16 juni aanstaande voor te bereiden.

Een half jaar van de denkpauze is verstreken maar nog weinig wijst op een eenduidig idee om uit de impasse te komen. Er is vooral hoop. Bijvoorbeeld bij de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Ursula Plassnik, die denkt dat er een meer positief klimaat in Europa kan ontstaan nu de regeringsleiders van de Unie het eind vorig jaar na een half jaar vertraging alsnog eens werden over de Europese begroting. Maar op de vraag hoe de Grondwet weer tot leven moest worden gewekt kon ze geen antwoord geven. Tijdens een ontmoeting met Europese journalisten kwam ze niet verder dan de mededeling dat er vragen zullen worden gesteld en dat de dialoog moet worden aangegaan.

Oostenrijk zit als voorzitter met het probleem dat de EU-leiders zwaar verdeeld zijn over de Grondwet, die zij in november 2004 tijdens een plechtige sessie in Rome nog gezamenlijk ondertekenden. Voor de Franse president Chirac is de tijd van de grote Europese projecten voorbij, premier Balkenende grijpt iedere kans aan om te zeggen dat de Grondwet voor Nederland voorbij is. In het altijd al eurosceptische Groot-Brittannië werd het referendum over de Grondwet na het Franse en Nederlandse “nee' opgeschort, maar nog altijd zijn de Britten uitgesproken negatief over Europa.

Een complicatie voor Oostenrijk is dat er dit najaar parlementsverkiezingen worden gehouden en de “superstaat' Europa een verkiezingsthema lijkt te worden. Dat vergt een nog behoedzamer optreden van de Oostenrijkse regering. Er is één lichtpuntje voor de nieuwe voorzitter: het gaat slechts om een tussentijdse evaluatie.

    • Mark Kranenburg