Verraden door Sharon maar nu toch niet blij

Een Palestijnse en een joodse vrouw hebben Ariel Sharon vroeger ieder om eigen redenen bestreden. Nu hij doodziek is, bidt de joodse voor hem; de Palestijnse laat zijn ziekbed onverschillig.

Het zijn om totaal verschillende redenen moeilijke dagen voor de Samira al-Natour, een Palestijnse vluchtelinge in Ramallah en de joodse Oranit Hassid, een voormalige bewoonster van Netzarim, een afgebroken nederzetting vlakbij Gazastad.

Oranit, nu woonachtig in een caravan in Ariel op de bezette Westelijke Jordaanoever: “Toen de politie ons uit ons huis haalde, haatte ik Sharon, ik wilde dat hij er niet was, ik wilde dat hij niet zo sterk en machtig was. Maar, en ik was het niet van plan, we hebben gisteren voor hem gebeden. Ook al was hij de vijand. We hebben hem bestreden, maar we hebben hem nooit doodgewenst.“

De televisie in de caravan staat aan op de nieuwszender Kanaal 2 dat niet alleen de ene na de andere neurologische expert aan het woord laat, maar ook Sharon laat zien als generaal en bouwer van nederzettingen.

“Hij zei in 2001 nog dat de veiligheid van Tel Aviv begon in Netzarim. Omdat hij altijd voor Israël heeft gevochten, geloofden wij hem. Hij heeft ons altijd gesteund en toch heeft hij ons verraden. God heeft daar een bedoeling mee, alleen weten we nog niet welke.“ De orthodoxe Oranit (38), moeder van negen kinderen, vindt het afschuwelijk dat extremistische kolonisten in Hebron een avond met zang en dans hebben georganiseerd om Sharons ziekte te vieren. “Dat is wreed en niet joods. Ze doen dat om te provoceren. Het is gelukkig maar een hele kleine groep.“

Oranit en haar man Yuval zijn van plan in de nederzetting Ariel te blijven. Het stadje tussen Nablus en Jeruzalem wordt uitgebreid en ommuurd. “Dit is een gemeenschap in het hart van het Land van Israël, wij hebben het recht hier te zijn, dit land is door God aan ons gegeven. En ik denk dat er geen enkele politicus is die het zal aandurven om ons hier weg te sturen of weg te halen. Gelukkig is er niemand meer die zo sterk is als Sharon. Ook dat is het werk van God.“ In de straten naar het kampement zijn de borden al beplakt met verkiezingsaffiches.

In Ramallah, 60 kilometer ten zuiden van Ariel, werkt Samira al-Natour(45) aan een documentaire over het leven van Sharon voor televisiestations in Jordanië, Libanon en Egypte. Zij is video-editor bij Jerusalem Media Communications, een tv-productiebedrijf in de de facto hoofdstad van de Palestijnen. “Sharon heeft het ons erg moeilijk gemaakt om om hem te treuren. Dat zal ik ook niet doen, maar ik sta ook niet te juichen. Dat is ongepast.“

Steeds opnieuw wordt de in Libanon geboren Samira bij het zien van Sharon en de historische beelden herinnerd aan de dag in september 1982 dat zij als 21-jarige samen met haar moeder het Palestijnse vluchtelingenkamp Sabra bij Beiroet binnenrende. “De hele wereld lijkt het te zijn vergeten, maar wij zullen het ons altijd blijven herinneren. Mijn grootmoeder was vermoord met een bijl die nog in haar hoofd zat, mijn tante was onthoofd, mijn oom konden we niet herkennen, al mijn neefjes en nichtjes waren dood. Sommigen van hen hebben we nooit meer gevonden, omdat zij al in een massagraf waren gelegd. Mijn moeder gilde van verdriet, wij ook.“

Christelijke strijders vermoordden in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila naar schatting 2.000 Palestijnen, onder wie een deel van de familie van Samira. Het bloedbad werd aangericht nadat het Israëlische leger in opdracht van toenmalig minister van Defensie Sharon Libanon was binnengevallen. “Mijn moeder woont daar nog steeds en ik heb haar in de afgelopen tien jaar maar één keer gezien. Wij woonden toen net buiten het kamp. Alleen een broer van mijn zwager heeft het overleefd omdat hij die dag naar het ziekenhuis moest. Ik zal het Sharon nooit vergeven“, zegt een nerveuze, kettingrokende Samira.

Sharon werd door een Israëlische onderzoekscommissie indirect verantwoordelijk gehouden voor “Sabra en Shatila', twee in elkaar overlopende vluchtelingenkampen in West-Beiroet. “Ik moet iedere keer als ik de beelden zie bijna overgeven, net als toen. Ik, wij zien Sharon daarom toch als een mededader en dat kunnen we hem nooit vergeven, net zoals we hem Qibbya nooit kunnen vergeven“. Zij doelt op het dorp Qibbya dat in 1953 werd uitgeroeid door Eenheid 101 onder leiding van de jonge luitenant Sharon die in opdracht van premier Ben-Gurion en minister van Defensie Dayan een strafexpeditie uitvoerde tegen Palestijnse terroristen. Samira: “Zijn lijden laat mij eigenlijk onverschillig.“ En dat geldt voor de meeste Palestijnen in Ramallah waar de voorbereidingen voor de parlelementsverkiezingen getuige de affiches in volle gang zijn.