Kanonbal

Op mijn hurken kijk ik samen met baanrenner Robert Slippens naar zijn nieuwe fiets. Achter ons snellen de derny's over de houten baan van sportpaleis Ahoy'. Ik glijd met mijn vingers over het frame. Glad, geil. Zo stijf als een plank, zegt Slippens. Moet ook, als je zo hard aan je stuur rukt.

De hypermoderne fiets is een prototype en toch rijdt Slippens er al de zesdaagse van Rotterdam mee. In het frame - uit één stuk carbon - zit een deukje voor een bidonhouder. Dat wordt nog aangepast. Een baanrenner rijdt niet met een drinkbus.

Mijn zoontje van zeven staat erbij. Hij aait even over de trapper. Ik heb laatst gezien hoe hij zijn gele band haalde met judo, nu mag hij mee om mijn favoriete sport te zien. Hij vraagt waarom die fietsers op de baan achter die brommers rijden. “Dan rijden ze een beetje uit de wind“, zeg ik.

Terwijl we samen over het middenterrein banjeren, krijg ik een boek in mijn handen geduwd. Ik mag het houden. De omslag is van een vettig soort boterpapier. De kanonbal is de titel. Op de zwartwitfoto staat een baanrenner uit vervlogen tijden. Ver voor het carbontijdperk, zal ik maar zeggen. Het is Jan Pijnenburg. Hij heeft met een kam zijn vette haar in een slag achterover gedaan. Pijnenburg zit op een oud model, opgebouwd uit stalen buizen. Ik zie de schroeven en moeren zitten.

Jan heeft mooie bijnamen. Jantje Pijn. De Pijn. En Kanonbal, wat klinkt als een charmante vertaling van “Cannonball'. De wildebras uit Tilburg (1906 -1979) won driehonderd gevechten op de piste. Hij zegevierde in de zesdaagse van Chicago, Parijs, Kopenhagen. Hij rookte voor en na de koppelkoers het liefst een Buffalo.

De Pijn trouwde met - en wie wil dat niet bij het horen van zo'n naam - Mimi Bierens. Mooiste uitspraak van Jans dochter: “We konden als kind geen versje opzeggen of hij was helemaal in tranen. Als hij cadeautjes moest uitpakken idem dito.“

Grote kerels, kleine kinderen.

Ze vragen me of ik het startschot wil geven voor een sprint. De sfeer in het sportpaleis is los, het is zondagmiddag, familiedag. Ach, waarom ook niet. Samen met mijn zoontje sta ik bij de startstreep op de baan. Het startpistool ligt lekker zwaar in mijn hand. Mijn zoon vraagt aan de wedstrijdleider hoeveel kogels er inzitten. Ik strek mijn arm. Knal! De renners zijn weg. Als ik omkijk, zie ik de kleine met de wijsvingers in zijn oren staan.

Twintig meter van de meet zit een oude man in zijn eentje aan een tafel langs de baan. Hij wimpelt een ober af die hem een bord met vlammetjes voorhoudt. Iedere keer als de renners langskomen, beweegt een grijs plukje haar in zijn nek. Het zou een oud-renner kunnen zijn, met die scherpe blik en uitstekende jukbeenderen.

Ik zit tussen de grote fietsfamilie. Mevrouw Slippens roept ouderwets “hup Robert' als haar zoon voorbij schiet. Leontien van Moorsel heeft haar hondje een toegangspas omgehangen. Naam: Mopsie. Zesdaagsebaas Patrick Sercu staat even met zijn schoen op de Côte d'Azur, de lichtblauwe strook naast de baan. Sercu. Ik zat met mijn ouders op de tribune toen hij hier vroeger rondreed.

Het sportpaleis stroomt leeg. Het is donker op het parkeerterrein. We rijden weg. Een stoplicht springt op rood. Terwijl mijn zoon de handtekeningen van renners in zijn blocnote telt, neem ik het boek over Kanonbal op schoot. Pijnenburg wint een zesdaagse in Dortmund en schreeuwt door een microfoon: “Moedertje, hoort u mij. Ik heb gewonnen. O moeder toch, ik ben zo blij.'

Vanaf de achterbank hoor ik dat het groen is. Of ik wil doorrijden.

    • Wilfried de Jong