Het geloof kent inmiddels vele kamers

De georganiseerde vrijzinnigheid verliest terrein omdat grote kerkgenootschappen minder dogmatisch denken, betoogt Gerard Dekker.

In zijn column van 5 januari vraagt J.L. Heldring zich af waarom er een afnemende belangstelling voor de georganiseerde vrijzinnigheid is. Men zou immers mogen verwachten dat in de moderne samenleving, die steeds meer seculariseert, er juist een toenemende belangstelling voor een ondogmatisch geloof zou zijn. Maar dat blijkt niet te kloppen met de werkelijkheid.

Op zoek naar een verklaring hiervoor noemt Heldring twee mogelijke oorzaken. De ene verklaring zou kunnen zijn dat mensen in tijden van snelle veranderingen en dus onzekerheid behoefte hebben aan vastigheid. De groei van onder meer kleinere orthodoxe kerken zou hierop kunnen wijzen. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat mensen in het hele proces van secularisatie de “fase' van de vrijzinnigheid overslaan (zo interpreteer ik wat Heldring schrijft) en direct agnost worden.

De eerst genoemde verklaring spreekt mij niet erg aan. Enerzijds omdat uit allerlei onderzoek blijkt dat het aantal overgangen van een orthodox naar een minder orthodox kerkgenootschap vele malen groter is dan het aantal overgangen van een “liberaler' kerkgenootschap naar een orthodoxe groepering. Anderzijds is sinds korte tijd bekend dat ook de kleinere orthodoxe kerken in Nederland óf niet meer groeien óf minder groeien dan in het jongste verleden het geval is geweest. Ook die kleinere orthodoxe groeperingen hebben in het verleden procentueel gezien niet zoveel minder leden verloren dan bij de grotere, minder orthodoxe kerken het geval was. Maar zij zijn in het recente verleden vooral gegroeid door een relatief groot geboorteoverschot. Nu de gezinnen óók in kerkelijk-orthodoxe kring kleiner worden, blijkt de groei van die kerkgenootschappen ook te stokken.

De tweede verklaring klinkt aannemelijker. Maar die verklaring klopt alleen voorzover vrijzinnigheid als zodanig inhoudt dat het geloof van vrijzinnigen ook “zwakker' of “geringer' is dan het geloof van orthodoxe mensen. Dan is vrijzinnigheid namelijk een fase in een ontwikkeling van orthodox geloven naar vrijzinnig geloven naar in het geheel niet meer geloven. Voor een deel zal dit inderdaad het geval zijn, maar lang niet over de hele linie. Vrijzinnig geloven is namelijk een eigen manier van geloven, die niet minder sterk behoeft te zijn dan orthodox geloven. Anders gezegd: vrijzinnig geloven is niet per definitie een mínder geloven, maar een ánders geloven.

Ik zou hier willen wijzen op nog een andere mogelijke verklaring van de afnemende belangstelling voor de georganiseerde vrijzinnigheid. Volgens Van Dale is vrijzinnigheid: “vrijheid van mening voorstaand, dogma's afwijzend, tegenover orthodox, rechtzinnig, dogmatisch“. Het begrip en het verschijnsel heeft - in ieder geval oorspronkelijk - vooral betrekking op de leer, op het cognitieve aspect van geloven. Legt men daar de nadruk op, dan is een belangstelling voor de vrijzinnigheid goed te verklaren: mensen hebben immers steeds meer moeite met het aanvaarden van een “objectieve', altijd en voor iedereen geldende waarheid, die bovendien door personen boven je of door instituten gehandhaafd wordt. En waarom dan toch in de werkelijkheid géén groeiende belangstelling voor een vrijzinnige leer?

Ik noem twee redenen. De eerste is dat in de grote kerkgenootschappen in de loop van de tijd veel meer ruimte voor vrijzinnig geloven is ontstaan. Mensen némen de vrijheid daartoe en die wordt hun in de praktijk ook gelaten. Vroeger was er in de grote kerkgenootschappen geen ruimte voor minder orthodox gelovigen; toen moest men die kerken wel verlaten en zijn toevlucht nemen tot een vrijzinnige groepering. Nu is die noodzaak er niet meer.

De tweede reden, die hiermee samenhangt, ligt in de ontwikkeling van het godsdienstig leven. Binnen het godsdienstig leven wordt steeds minder de nadruk gelegd op de leer, op de dogma's, en steeds meer op de beleving, de ervaring. Het affectieve aspect wordt sterker ten koste van het cognitieve. Denk aan degenen die we enkele jaren geleden de “nieuwe katholieken' noemden: zij werden katholiek ter wille van de liturgie, de beleving, het gevoel, zonder dat zij - zoals zij soms uitdrukkelijk verklaarden - de leer van de katholieke kerk aanvaardden.

Met die ontwikkeling voor ogen is het begrijpelijk dat er minder behoefte is aan georganiseerde vrijheid in de leer. Anders gezegd: de ontwikkelingen in het godsdienstig leven zelf maken het begrijpelijker dat er een afnemende belangstelling is voor organisaties die hun bestaansrecht ontlenen aan het uitdragen en handhaven van de vrijzinnigheid in de traditionele zin des woords. En dus begrijpelijker dat het bestaansrecht van alle vrijzinnige organisaties in het geding is.

www.nrc.nl/opinie:|artikelen Heldring en Amelink

Dr. Gerard Dekker is emeritus-hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

    • Gerard Dekker