God is het gat

In zijn veertiendelige sonnettencyclus De ballade van de gasfitter, waarin een gasfitter huizen in- en uitgaat en onduidelijke werkzaamheden verricht die iets te maken hebben met leven en dood, schrijft Gerrit Achterberg in het negende sonnet: “God is het gat“. Door het gat God worden “diepten uitgestort' over de arme verwarde fitter, die niet meer weet “waar of wat ik moet beginnen“.

Dat gat dat God is, daarover lees je wel vaker. Frans Kellendonk dacht “een leemte in het hart van de schepping“ ontdekt te hebben, ,,waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen“. En degenen die de Intelligent Design-hypothese wel op haar merites willen onderzoeken, kijken naar de gaten in de evolutietheorie, of daar nog ruimte zou zijn voor God.

Welke God, dat blijft natuurlijk het grote probleem. Ook onder vrijzinnige christenen wordt God steeds onzichtbaarder. Het lijkt wel, in ieder geval de laatste jaren, of de God van de mystici het gewonnen heeft van de God van de dominees en de paus - die van de erfzonde, die God van wie je van alles niet mag, die zijn zoon offerde om ons te verlossen. Die God raakt, althans in ons deel van de wereld, aanhang kwijt en de God die onkenbaar is, over wie je alleen in tegenstellingen en negaties kan spreken, de God die gevonden moet worden in de stilte, in het loslaten van het ego, de God die eerder dient tot heiliging van het dagelijks leven dan als politieagent voor het morele denken, die lijkt wel enig terrein te winnen.

In Trouw is de essayist en Lucebertspecialist Jan Oegema al een poosje bezig met iets te benoemen wat zich moeilijk vangen laat. Het gaat om het religieuze gevoel en de religieuze verlangens van mensen die geen plaats weten te vinden in de christelijke kerk. Oegema noemt degenen die op eigen houtje bezig zijn de christelijke traditie te ontdekken en betekenis te geven “soloreligieuzen' In zijn laatste artikel in een reeks die met onregelmatige intervallen in de zaterdagse bijlage “Letter & Geest' is verschenen, spreekt hij overkoepelend van “minimaal christendom'. Zo minimaal dat de Christus, toch de centrale figuur in dit hele geloof, er min of meer uit verdwenen is. God niet. Maar, schrijft Oegema: “Minimaal christendom staat sceptisch tegenover elke uitspraak die God opsluit in een beeld“.

Het is grappig om te zien hoe iets, als je het een naam geeft, meteen lijkt te bestaan - minimaal christendom klinkt direct als een duidelijke stroming, zoals ook “Ietsisme' even door het herhaald gebruik van dat woord een werkelijk bestaande richting leek, in plaats van een manier om te zeggen: ik weet het niet.

Oegema probeert iets wat bijna niet kan: degenen die voor hun religieuze gevoelens geen plek vinden, noch in gebouwen, noch in bijeenkomsten, noch in canonieke teksten, degenen die dus ieder op eigen houtje een wereldbeeld in elkaar timmeren waarin het religieuze element niet ontbreekt maar ook niet zo erg benoembaar is, toch bijeen te brengen. Door te doen alsof ze al min of meer één zijn: soloreligieuzen, minimaal christenen.

De pogingen tot naamgeving laten meteen ook al zien waar het belangrijkste en moeilijkste punt zit: in de taal. Christenen, van de traditionele soort, hebben het grote gemak dat er een taal voor hen klaar ligt, een taal vol beelden over de wereld, de mens, de verwachtingen die die mens mag of moet hebben, de manier waarop hij zichzelf mag en moet zien, de manier waarop hij dient te leven. Het staat allemaal al geschreven, en wie er ferm in gelooft hoeft weinig anders te doen dan te citeren. En dat wordt dan ook gedaan, zodat je op grafstenen ziet staan dat God de wereld “alzo lief heeft gehad' dat hij zijn enige zoon stuurde of dat je wordt aangespoord om te gaan staan “in de vrijheid waarin Christus u gesteld heeft“ of dat men je toeroept dat “Gods genade“ je genoeg is. Het vervelende is, dat al die taal door degenen die niet in (protestants) christelijke kring zijn grootgebracht, in het geheel niet verstaan wordt. En, eerlijk gezegd, het verlangen om die taal te leren beheersen bestaat ook niet zo heel erg, omdat wel duidelijk is dat degenen die zo praten van een heleboel vooronderstellingen uitgaan over wat God is, kan, vermag, wil, eist, zal doen. In dat type geloof is God bepaald geen gat en het is ook meestal dat geloof wat degenen op het oog hebben die zich op allerlei manieren verzetten tegen religie: het geloof van de zekerheden, de waarheden, de feiten die allemaal op niets stoelen en die gemakkelijk een hoge intolerantiegraad hebben. De theoloog Harry Kuitert heeft in zijn boeken laten zien hoe een helder denkend mens als hij zelf daar stap voor stap van weg raakt, en ook waar je dan uitkomt: bij de verbeelding.

Daar komt ook Oegema uit, bij de taal, de literatuur, de poëzie. En passant gooit hij meteen een aantal favoriete religieuze beelden overboord: ,,Wij zijn niet de bedoeling van de schepping of een schepper, helaas staan onze namen niet in Gods Grote Boek geschreven. Wij zijn op geen enkele manier geborgen in een vaderlijke god, ook niet als we sterven.“

Dat is duidelijke taal. De vraag is natuurlijk wat erover blijft. Daar biedt de mystiek uitkomst met zijn duisternis en stilte, met de concentratie op wat buiten het zelf ligt, de poging om het al te persoonlijke los te laten. Zelfs ziet Oegema wel bijeenkomsten voor zich waarin men vooral stil bijeen is en misschien een paar teksten leest van verschillende aard - want ook het corpus teksten moet royaal zijn en in permanente beweging.

Oegema doet een lofwaardige poging om over iets te schrijven waarover het moeilijk schrijven is. Zijn conclusie is helaas ook maar al te waar: dat er onder mensen die niet één geloof omhelzen een eeuwige spraakverwarring heerst en zal blijven heersen, dat die gedoemd zijn tot “solisme'. Maar dat valt misschien ook wel weer mee. In bijeenkomsten met mooie muziek, met stilte, met rituele handelingen, zit veel ruimte voor individuele overwegingen en gedachten. Eigenlijk bestaat de blauwdruk voor zulke bijeenkomsten al: de katholieke liturgie. Die is heel goed opgebouwd en werkt min of meer naar een mystiek hoogtepunt toe: de vereniging met het onbegrijpelijke mysterie waarvan de deelnemers voor de duur van de bijeenkomst aannemen dat we het met onze gezangen, woorden, buigingen, gebeden en zwijgen omcirkelen.

Ik zou best willen dat het echt bestond, minimaal christendom. Het liefst behoudend naar de vorm, vrij naar de inhoud. Intelligent. Niet bijgelovig. Eigenlijk denk ik ook dat het er al wel is. Laat het gaan bloeien.

    • Marjoleine de Vos