EU kan niet zonder kernenergie

Europa heeft behoefte aan een gezamenlijk energiebeleid en het moet zich ook beraden op de kernenergie, meent Wolfgang Munchau. Ondanks de politieke weerstand moet het debat volgens hem beginnen.

De twee primaire doelstellingen van het energiebeleid van de Europese Unie zouden moeten zijn dat de aanvoer wordt gewaarborgd, terwijl het milieu duurzaam wordt ontzien. Het gevaar bestaat dat beide niet gehaald worden. Het Russisch-Oekraïense gasgeschil heeft ons herinnerd aan onze afhankelijkheid van Russisch aardgas. Ook voldoet de EU niet aan haar Kyoto-doelstellingen om de uitstoot van broeikasgas sterk terug te dringen. Als Europa met beide doelstellingen ernst wil maken, heeft het een nieuwe energiemix nodig - met inbegrip van nucleaire en alternatieve energiebronnen, in combinatie met een beleid ter stimulering van doelmatig energiegebruik. Kernenergie is niet het antwoord op al onze energieproblemen, maar moet wel een deel van het antwoord zijn.

Het onderwerp is weer helemaal terug op de agenda. De Britse premier Tony Blair heeft opdracht gegeven tot een binnenlandse energieverkenning die de toekomst van de kernenergie moet bezien. Michael Glos, de Duitse minister van Economie, heeft voorgesteld dat Duitsland nog eens nadenkt over zijn besluit om in 2020 met kernenergie te stoppen. In Brussel beloofde Andris Piebalgs, de Europese energiecommissaris, dit jaar een onderzoek naar “onze algehele energiemix“.

In de jaren zeventig en tachtig ging het debat over de vraag of we bereid waren kernenergie te aanvaarden, waarbij ons een klein risico op ongelukken werd voorgehouden. De huidige discussie ligt anders. Ten eerste is het risico op ongelukken aanzienlijk kleiner. Maar er zijn ook even grote risico's aan verbonden om met kernenergie te stoppen, met als ernstigste een verhoogde uitstoot van broeikasgas.

Geleerden hebben al gewaarschuwd voor de toekomstige gevolgen voor de uitstoot van broeikasgas als we ophouden met kernenergie. In Groot-Brittannië zou het aandeel van de kernenergie in de totale energieproductie dalen van de huidige 24 procent naar ongeveer 4 procent in 2020. Sir David King, Blairs hoogste wetenschappelijke adviseur, heeft gezegd dat Groot-Brittannië vrijwel zeker zijn doelstellingen inzake het broeikasgas kan vergeten als dit gat wordt opgevuld door de traditionele energiecentrales.

In november verscheen in Duitsland een alarmerend rapport over de gevolgen van een geleidelijke afschaffing van de kernenergie in Duitsland. Als de nucleaire capaciteit zou worden vervangen door moderne conventionele krachtbronnen, zou dit leiden tot een jaarlijkse verhoging van de CO2-uitstoot van tussen de 100 en 120 miljoen ton. Daarbij vallen de broeikasbesparingen die alternatieve energiebronnen ons beloven in het niet.

Maar het is verre van duidelijk of de politiek in de EU klaar is voor een wijziging van het nucleaire beleid. Duitsland, dat ruwweg een kwart van de EU-uitstoot van broeikasgas voor zijn rekening neemt, zal een centrale rol spelen. De Duitse kanselier Angela Merkel is voorstander van kernenergie, maar heeft gezegd dat ze niet zal tornen aan de coalitie-afspraak die de huidige regering verplicht zich aan het bestaande schema voor afschaffing te houden. De sociaal-democraten en de Groenen zijn beide fel tegen kernernergie.

Voor de huidige politieke generatie was de anti-kernenergiebeweging een van de bepalende momenten in haar vroege politieke loopbaan. Ze leidde niet alleen in heel Europa tot de opkomst van groene partijen maar had ook een sterke invloed op de linkse politiek - al was het boeiende dat dit nooit heeft gegolden voor Frankrijk, waar de kernenergie altijd brede politieke steun genoot. Maar elders op het vasteland van Europa is het verzet tegen de kernenergie zo diep geworteld dat zelfs een gevaarlijke stijging in de uitstoot van broeikasgas geen verandering kan brengen in de mening van een fervente tegenstander. Zodra u het onderwerp kernenergie aansnijdt, kunt u ervan op aan dat de discussie irrationeel en emotioneel wordt.

Er zijn grote verschillen tussen de EU-landen. Zo is Finland het enige land dat heeft besloten tot de bouw van een nieuwe energiecentrale op een moment dat andere landen daar juist van afzagen. Groot-Brittanië is bezig zijn standpunt te heroverwegen. In Frankrijk is de kernenergie heel sterk en dit zal ook wel zo blijven.

Toch is het energiebeleid een van de klassieke terreinen waarop de logica van gezamenlijk optreden op EU-niveau evident is. We staan allemaal voor dezelfde problemen, zowel wat de uitstoot als de gewaarborgde energietoevoer betreft. Onze economieën zijn allemaal uiterst gevoelig voor schommelingen in de energieprijzen. Verstandelijk zijn er eigenlijk geen overtuigende redenen voor een nationaal energiebeleid op de ene Europese markt.

Op de EU-top van oktober verraste Blair iedereen toen hij opriep tot een verbeterd Europees energiebeleid dat steunde op vier pijlers: een betere uitwisseling tussen de nationale stroomnetten, samenwerking op EU-schaal bij de opslag van gas, een betere uitwisseling van informatie over veiligheidskwesties en een verplichting de uitstoot van broeikasgas terug te dringen. Blair heeft gelijk. Europa heeft behoefte aan een gezamenlijk energiebeleid en het moet zich ook nog eens beraden op de kernenergie. Ik verwacht geen wonderen: er is te veel politieke weerstand. Maar laat het debat beginnen.

Wolfgang Munchau is columnist van de Financial Times. © Financial Times

    • Wolfgang Münchau