Zie je daar dertig of meer kolossale reuzen staan?

Wie Don Quichot wil eren vermijdt de luxe van een auto met airco. Hij bestuift de Spaanse hoogvlakte per motorfiets. Ploeterend in de hete zon op weg naar de windmolens. Alleen zo zijn ze terug te vinden.

Hier was de ideale plek gevonden, stelde de dorstige pelgrim vast. Hier, op dit beschaduwde terras in het hart van Alcazar de San Juan. Hij bestelde een glas bier en vouwde zijn kaart open. Consuegra lag twintig kilometer naar het westen, Campo de Criptana vijf kilometer naar het oosten. Hij pakte een beduimeld boek uit zijn tas en herlas voor de zoveelste keer de korte episode. Het ging om dertig of veertig windmolens, stond er geschreven, `die in de dreven staan.'

De volgende ochtend liep hij vroeg de deur uit. Het was pas negen uur, maar het was al warm. Hij zette zijn helm op, gespte zijn leren handschoenen aan en besteeg zijn ros. Enkele minuten later liet alleen og een stofwolk zien welke richting hij was opgegaan: westwaarts, naar Consuegra.

Wie een paar uur op die weg zou blijven staan, onder een boom bij voorkeur, en in ieder geval met een veldfles koel water, die zou na een paar uur de reiziger weer voorbij zien stuiven. Oostwaarts ditmaal, en met een nog dichtere stofwolk achter hem aan. Naar Campo de Criptana. En wie het nog langer zou volhouden, zou tegen het vallen van de avond de gehelmde man zien terugkeren. Bestoft, bezweet, en met een peinzende uitdrukking op zijn gezicht.

De reis was een week daarvoor begonnen met de inspectie van het stalen ros. Een bejaarde tweecilinder van Duitse makelij, maar nog in goede staat. De bagage werd gepakt. Kleren, gereedschap, een scheermes, een pocketeditie van Cervantes' meesterwerk De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha. Ik controleerde het oliepeil, pompte de banden op en poetste de oude motorbril.

Daar ging het. Eerst door Nederland, toen door België, toen door Frankrijk. Langs stille wegen, maar ook langs drukke steden. Op sommige dagen reed ik zeshonderd kilometer, op andere nauwelijks tweehonderd. Het werd warmer, de helm begon te knellen, de handschoenen plakten, maar overal rook je de bloeiende brem. Aan het einde van elke rijdag zocht ik een hotel, nam een douche en liep het stadje in waar ik dan toevallig was. Moe en tevreden. Dat is het voordeel van motorrijden: na een dag op die smalle buddyseat voel je dat je iets gepresteerd hebt. Je hoofd gonst nog na en je gezicht trekt nog wat, en je weet dat je iets verdient - een heerlijke maaltijd in een lokaal restaurant bijvoorbeeld.

Daar was de Spaanse grens, en dan eindelijk de Spaanse hoogvlakten in. De wind werd heter, en steeds vaker zocht ik een tankstation op. Niet om te tanken, maar om in het gekoelde cafeteria bij te komen en wat te drinken. Buiten houd ik mijn helm onder de kraan en zet hem dan weer op. Het water loopt in straaltjes over mijn gezicht en het eerste half uur loop ik niet het risico dat de ridder met het droeve gelaat trof: dat zijn hersens smolten in de hete zon.

Don Quichot achterna. Ruim tweeduizend kilometer op de motor terwijl je ook met de auto, het vliegtuig of de trein kunt. Don Quichot was een vijftiger, net als ik. Op een dag sloeg hij de boeken dicht, zocht zijn roestige wapenrusting op en zadelde zijn oude paard. Hij trok de wereld in, op zoek naar avontuur en een levensdoel. Hij werd door niemand serieus genomen, maar hij trok er zich niets van aan. Kun je zo'n man eren met een chartervlucht of een auto met airconditioning? Nee, dan moet je toch op zijn minst met de motor. Dan draag je ook een helm, laarzen, een wapenrusting. Dan tuur je ook door een vizier.

Maar waar gaat de reis heen? Naar Castilla-La Mancha natuurlijk, de streek ten zuiden van Madrid, waar de dolende ridder zijn vergeefse heldendaden verrichtte. Maar dan? Naar Villanueva de los Infantes, dat een aantal experts onlangs uitriep tot officiële woonplaats van Don Quichot? Of naar El Toboso, waar zijn geliefde Dulcinea vandaan kwam?

Maar nee, laten we naar de plaats gaan waar de ridder zijn beroemdste avontuur beleefde, de plek waar hij strijd voerde tegen de windmolens. Waar was dat? Niemand die het zeker weet, maar in de vlakte van La Mancha zijn twee plaatsen waar flink wat molens bij elkaar staan. In Campo de Criptana, en in Consuegra. Daarheen dus!

La Mancha rijd ik aan de oostkant binnen, via Albacete, de messenstad van Spanje. De stille weg voert langs rode aarde en glooiende olijfboomgaarden. Hier en daar staan iglo-vormige gebouwtjes van witgekalkte natuursteen. Na tweeduizend kilometer rechte weg zijn die bochten een verademing en de motor scheert langs de dorre grasranden.

Albacete is een prettige stad, een goede stad om een fijn zakmes te kopen en een mooi begin voor de verkenning van La Mancha. Maar veel tijd is er niet. De volgende dag gaat het weer verder. Naar Alcazar de San Juan, niet te ver van Consuegra en Campo de Criptana. Het landschap verandert intussen; de glooiende olijfboomgaarden maken plaats voor een kale vlakte met hier en daar wat slordige industrie. Wastafels en wc-potten worden er gemaakt, en er zijn veel contructiewerk-plaatsjes. Overal worden nieuwe wegen aangelegd, de asfalteringsmachines draaien in dit lege landschap op volle toeren.

Daar is Alcazar de San Juan. Don Quichot en Sancho Panza staan in droefgeestig brons op het stadsplein. Een splinternieuw en goedkoop zakenhotel biedt onderdak.

De volgende dag is het eindelijk zover. Het kost de bedevaartganger wel enige moeite de geest van de dolende ridder terug te vinden op de weg naar Consuegra. Daarvoor rijden er net iets te veel vrachtauto's. Inhalen van die walmende diesels is een kwestie van de adem inhouden, de gashandel openschroeven en hopen dat het snel voorbij is.

Maar in Consuegra is het stil, en onaangetast. En daar, tussen de huizen door, ziet de pelgrim opeens een hoge helling met acht windmolens. Spaanse windmolens. Een plompe, witgekalkte natuurstenen cilinder, een kegelvormig dakje erop en daaruit steekt een as met vier ragfijne, sierlijke wieken. Zeilen erop en dan werd het koren gemaald dat met wagens en trekdieren uit de vlakte werd aangevoerd.

Bovenop de helling aangekomen blijken er twaalf te staan, langs een omhooglopend weggetje. Halverwege het rijtje molens staat een verweerd kasteel van meer dan duizend jaar oud. Ooit door de Moren gesticht, en later door de christelijke koning Alfons VI veroverd. Het moet een prachtig uitzicht hebben opgeleverd, al die draaiende wieken gezien vanaf de torentransen. Maar wie vanuit de vlakte kwam zag het anders, en dat gold zeker voor een overspannen edelman. Dan kunnen die molens iets spookachtigs krijgen. Was het hier dat Don Quichot de aanval inzette? Was het hier dat hij tegen zijn schildknaap riep: “Zie je hoe daar dertig of meer kolossale reuzen staan, die ik van plan ben te bestrijden en allemaal van het leven te beroven“?

Het zou kunnen. Dertig windmolens staan er hier niet, maar Don Quichot zag de dingen nu eenmaal anders dan ze waren. En misschien zijn er de afgelopen honderden jaren enkele molens gesneuveld. Het is mogelijk dat hij hier, zo snel als de magere benen van Rocinant hem konden dragen, met getrokken lans op de molens is afgestormd. Maar erg waarschijnlijk is het ook weer niet. Voor een spontane charge is er hier niet veel ruimte en dat weggetje loopt wel flink omhoog.

Maar we hebben Campo de Criptana nog. Weer langs Alcazar, en dan nog een kilometer of vijf verder. Het is laat in de middag en nog steeds heel heet als de motor door de straten van Campo de Criptana roffelt. De molens zijn al van verre te zien. Ze staan hoog boven het stadje, op een platte berg. Het is er ruim en vlak, een ideale plek om wind te vangen. Er staan tien molens, maar in 1752 telde een betrouwbare getuige er nog 34.

Er is geen mens te zien bovenop de berg. De molens staan er blikkerend wit, de kale wieken steken scherp af tegen de helblauwe lucht. “Het zijn geen reuzen, maar windmolens“, had Sancho Panza gewaarschuwd. “En wat u voor armen houdt, zijn de wieken.“ Maar het had niet geholpen. “Het is duidelijk dat je geen ervaring hebt met avonturen“, had de ridder zijn schildknaap terechtgewezen. “Dat zijn reuzen“.

En als je door je oogharen kijkt, als je weet dat de wind op dat noodlottige moment even opstak, zodat de wieken van die tientallen molens plotseling begonnen te draaien, dan weet je opeens dat het hier moet zijn geweest. Hier in Campo de Criptana galoppeerde de ridder op de eerste de beste molen af. Hij stak zijn lans in een wiek, maar die werd zo woest door de wind meegedraaid dat zijn lans brak, de ridder de hoogte in werd geslingerd en hij met een harde smak op de grond terecht kwam.

Ik zet mijn helm op, start de motor en rijd weg. Door mijn motorbril gezien beginnen de wieken steeds meer op reuzenarmen te lijken. Hier is het geweest, geen twijfel mogelijk.