Weggepoetst

Tijdens het broedseizoen maken kanoetstrandlopers een andere poetswas voor hun veren. Dat kost meer energie, maar maakt hen lastiger te ruiken voor poolvossen en andere roofdieren, zo ontdekten Nederlandse biologen.

Koos Dijksterhuis

Poetsende kanoetstrandloper op het Nederlandse wad. foto jan van de kam Kam, Jan van der

Kanoeten onderhouden hun veren goed. Ze wrijven daarvoor met hun snavel langs een was-afscheidende klier bij hun stuit. Vogelonderzoekers analyseerden de was en ontdekten bij toeval dat de samenstelling ervan in de broedtijd drastisch verandert. Uit experimenten met een speurhond blijkt dat tijdens de broedtijd de stuitklierwas minder geur verspreidt. En dat vermindert voor de op de grond broedende vogels het risico op ontdekking door roofdieren.

Kanoetstrandlopers (Calidris canutus) poetsen zich met een stuitklierwas die bestaat uit mono-esters, olie-achtige koolstofverbindingen. Vlak voor de broedtijd verandert de was in een paar dagen tijd in een mengsel van di-esters. Het kost de vogels meer energie om die verbindingen te produceren, maar ze zijn waarschijnlijk wel lastiger te ruiken door poolvossen en andere roofdieren (Journal of Experimental Biology, 15 november).

Jeroen Reneerkens van het Nederlands Instituut voor Koninklijk Onderzoek der Zee (NIOZ) liet een speurhond los op staafjes waarvan een deel ingesmeerd was met stuitklierwas. Als de hond de ingesmeerde staafjes aanwees, werd hij toegejuicht en geaaid. Bij kleine doses was kon de hond alleen de was van mono-esters vinden. De was van di-esters uit de broedtijd bleek dan onvindbaar.

In het veld zijn de omstandigheden anders dan van die hond in de garage“, zegt Reneerkens. Het waait, een vos zit er niet met zijn snufferd bovenop en de hoeveelheid was die een vogel op zijn veren smeert zal wel variëren, maar het ging mij erom aan te tonen of er verschil is in het gemak waarmee dat spul te ruiken is. Op de toendra zal een vos een broedende kanoet met di-ester-was pas ruiken als hij dichtbij is. Mono-esters zijn van grotere afstand te ruiken.“

balts

Omdat de productie van di-esters extra energie kost, maken vogels ze alleen als ze ze het hardst nodig hebben: in de broedtijd. Vrijwel alle steltlopers broeden op de grond en vrijwel allemaal poetsen ze zich met was die tijdens het broeden van samenstelling verandert. Maar de verandering vindt voor het broeden al plaats, tijdens de balts. Daarom dachten Reneerkens en collega-onderzoekers eerst dat de was een rol speelde in het verleiden van een partner, bij wijze van make-up. Kanoeten maken indruk op elkaar door hun oranjerode borst en staart op te zetten. We dachten dat de was wat meer glans aan dat rode zou geven“, vertelt Reneerkens. Maar uit kleurenanalyse met een fotospectrometer bleek dat beide typen was evenveel glans gaven.“

Bovendien zou het onlogisch zijn de kostbare was aan te blijven maken tijdens het broeden, als de balts voorbij was. Een geil geurtje om vrijages uit te lokken was eveneens onwaarschijnlijk, want steltlopers hebben geen fijne neus. En van andere soorten steltlopers bij wie alleen één van beide partners op de eieren zit, zoals de hen bij kemphanen en de man bij franjepoten, bleek alleen de broedende sekse tijdelijk over te schakelen op di-ester-was. De verandering van samenstelling had dus echt met broeden te maken, niet met baltsen.

Daarom dachten de onderzoekers aan conservering tegen veren-etende bacteriën, die goed gedijen in de vochtige warmte van een nest. Maar hoewel veren inderdaad snel vergaan als de was met een oplosmiddel wordt verwijderd, is het conserverende effect van beide wassen gelijk.

Ook bescherming tegen slijtage bleek niet de reden te zijn voor andere was. Tijdens het broeden schuurt de strandloperbuik vaak tegen de grond, zodat veren sneller slijten. De biologen togen in de lente naar Groenland, snorden een paar kanoeten op, vingen ze op het nest en spoelden de was met oplosmiddel van een enkele veer. Na een paar dagen vingen ze dezelfde vogels weer en zagen ze tot hun verbazing dat het voor slijtage niets uitmaakte of er was op een veer zat of niet.

camouflage

Er bleef nog één mogelijke verklaring over: geurcamouflage. Maar hoe test je dat? Reneerkens herinnerde zich ooit een vrouw ontmoet te hebben die speurhonden trainde. Via via achterhaalde hij haar in een school voor politiehonden. Zij bracht hem in contact met een particulier die zijn Duitse herder wel voor de proef met stuitklierwassen wilde trainen.

Na dertien maanden trainen wist de herder de geur van beide wassen te herkennen, tot bij een dosis die zo laag was als 1 milligram strandloperwas.

Vervolgens experimenteerden Reneerkens en de eigenaar van de hond vier dagen lang met veel lagere doses, variërend van 0.24 tot 15.6 microgram stuitklierwas - een duizendste milligram dus. De hond wist een teststaafje dat ingesmeerd was met mono-ester altijd feilloos te vinden. Als er di-ester op het staafje zat, kon de hond niets vinden, ook al snuffelde ze soms wel dertig keer langs alle staafjes alvorens het op te geven.

Dit is volgens het NIOZ het eerste onderzoek naar geurcamouflage van vogels als verdediging tegen roofdieren. Veldonderzoek zou moeten uitwijzen of de resultaten met de speurhond ook gelden voor vossen in het veld.

Een filmpje van de zoekende speurhond is te zien op http://jeb.biologists.org/cgi/content/ full/208/22/4199/DC1

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel `Weggepoetst` (W&O, 7 jan) is het onderzoeksinstituut NIOZ aangeduid als `Nederlands Instituut voor Koninklijk Onderzoek der zee`. Het is Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee.

    • Koos Dijksterhuis