Weer raken programmamakers van de publieke omroep ondergesneeuwd in politiek

Het succes van het Journaal toont aan dat de publieke omroep juist in het multimediale tijdperk zuinig moet zijn op goede rubrieken, vindt Maarten Huygen.

De hoogste man van de NOS kan ik niet vinden. Op vier beeldschermen in de hoeken van de enorme zaal van Studio 2 zie ik de uitvergrote directeur Harm Bruins Slot spreken als de almachtige tovenaar van Oz. Van overal in deze Hilversumse receptieruimte komt zijn stemgeluid op me af en ik moet in alle richtingen kijken om uiteindelijk in de verte de kleinere vleselijke gestalte te ontwaren van deze gereformeerde mannenbroeder van premier Balkenende.

Hij staat klein en ver weg op een laag, verlicht podium achter een brede haag sombere, donkere pakken. Hij spreekt zijn bedrukte medewerkers moed in: “Vernieuwen en tegelijk doen waar we goed in zijn“, zegt hij. “Onze energie moet immers op die verdere toekomst gericht zijn. Daarmee kunnen we omgaan. Dat tonen onze medewerkers al volop aan.“

Vier beeldschermen tegelijk waarop één uitvergrote man met uitsluiting van alle anderen de ganse gemeenschap toespreekt, dat komt op tv al sinds de jaren zestig niet meer voor. Er heeft zich de laatste jaren een wonderbare vermenigvuldiging voorgedaan van zenders, kanalen, media, platforms, uitzendtechnieken, digitale radio, kabel, satelliet, video, dvd, walkman, iPods en MP3-spelers. Bellen op de tv-kabel of internet, tv via het internet of de telefoon. De wereld is vol van het nieuwe kijken, het nieuwe bellen, het nieuwe internetten. Het is een groeimarkt. De consument besteedt steeds meer geld en aandacht aan media maar niet aan de publieke omroep. Die moet wegens gebrek aan reclame-inkomsten door voetbalwedstrijden op termijn 160 miljoen bezuinigen.

Op deze nieuwjaarsreceptie drinkt en eet de overhead van de publieke omroep die nooit heeft uitgeblonken in slagvaardig bestuur. Ik zie Cees Smaling voorbijschuiven, de gepensioneerde voorzitter van kranten- en boekenuitgever PCM. Hij zadelde PCM met een hoge schuld op door de overname van Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad. Als voorzitter van de Raad van toezicht van de NOS mag hij nu controles uitvoeren op zijn voormalige collega-PCM-bestuurder Cees Vis die ook naar de NOS is verhuisd, in de raad van bestuur. Gezellig zijn de verhoudingen in ieder geval wel bij de NOS maar ik kan mij het wantrouwen van de programmamakers voorstellen. Veel zag ik er niet op de receptie. Zij worden enigszins laatdunkend aangeduid als content. Toch zijn zíj het hart van de publieke omroep maar zij raken altijd ondergesneeuwd in de politiek. Ten bate van het bereik van meer doelgroepen worden populaire actualiteitenprogramma's als Netwerk, Nova, Buitenhof en Andere Tijden met opheffing bedreigd.

Toevallig werd bij deze receptie het vijftigjarige jubileum gevierd van het NOS-journaal, een rubriek die door alle veranderingen heen in stand is gebleven en met succes nog steeds miljoenen kijkers tegelijk bereikt.

Op de vier schermen zag ik de hoofdredacteur Hans Laroes in feestkledij verschijnen voor wisselende achtergronden van de Londense Big Ben (de multimediale BBC-methode is de toekomst), het Kremlin, Parijs (zo moet het tv-nieuws niet worden gemaakt).

Wie vijftig jaar geleden op het Journaal verscheen, was op slag wereldberoemd in Nederland. Het marktaandeel bestond uit vrijwel alle Nederlandse kijkers en hun aantallen groeiden met het aantal tv's. Ook nu het marktaandeel van de publieke omroep gestaag afkalft, heeft het Journaal zich weten te handhaven als de grootste nieuwsbron van Nederland. Het Journaal zelf is een nieuwsevenement geworden tussen grote voetbalwedstrijden en koninklijke huwelijken.

Kennelijk hebben de mensen met al hun persoonlijke surfhobby's toch behoefte aan iets gezamenlijks. Volgens een recente peiling in opdracht van het Journaal vinden verreweg de meeste kijkers het Journaal de betrouwbaarste rubriek. Vooral jongeren denken er zo over, hoewel - of misschien juist omdat - ze zelf nauwelijks kijken. Het Journaal is zeker niet volmaakter en foutlozer dan veel andere mediarubrieken, maar heeft zijn roem te danken aan een consistente stijl die langzaam werd veranderd en uitgebreid. Geen raad van bestuur die plotseling het programma ondersteboven haalde, zoals nu dreigt te gebeuren met andere bekende rubriektitels.

Tijdens de receptie hoorde ik weinig over programma's maken maar des te meer over de nieuwe media waar de content over moet worden verspreid. Mensen die hun computer allang op hun televisie hebben aangesloten zodat ze ook de tv-bestanden op internet direct op het scherm kunnen zien. Je kunt 's morgens automatisch de favoriete radio- en tv-programma's op de computer laden. Je kunt steeds meer programma's zien als je er zin in hebt: video on demand.

Bruins Slot vertelde dat op de site van de publieke omroep “uitzending gemist' maandelijks vier miljoen keer wordt geladen en de vraag groeit. Als de kabel op digitale televisie overgaat, vloeien de computer en tv in elkaar over. Er kunnen dan honderden kanalen goedkoop worden doorgegeven. De publieke televisie heeft er al twaalf, de analoge netten 1 tot en met 3 en negen digitale kanalen.

Het gevecht van de omroepzuilen om hun thuisnetten is achterhaald. Daar heeft Bruins Slot gelijk in. Zuilen met aanhang kunnen goedkoop eigen abonneekanalen beginnen. De commerciële concurrentie verzekert al veel pluriformiteit.

Maar het succes van het Journaal toont aan dat populaire programmatitels als baken kunnen dienen in de aanbodchaos. De nieuwe technologie is geen reden om die titels op te heffen maar om ze - naar het voorbeeld van het Journaal - via andere media juist te versterken. Programma's maken is de hoofdtaak van de publieke omroep.

Vullis is er in overvloed. Goede televisie is nog steeds duur en moeilijk. Dus op programma's met een brede aanhang moet de omroep zuinig zijn.

    • Maarten Huygen