Suizend van de Gouden Vos-piste in Slovenië af

Socialistische jeugdkampen uit Tito's tijd worden in bergstaatje Slovenië verbouwd tot luxe skipensions, merkt correspondent Tijn Sadée.

Op de top van de berg in het Sloveense skigebied Mariborsko Pohorje staat de kerk van de Heilige Bolfenk. Een treurig geval. Tussen het schip van de kerk en de klokkentoren is een flink gat geslagen. Is het een granaatinslag geweest? We zijn immers in een voormalige Joegoslavische deelrepubliek. Sommige skiërs durven om die reden zelfs niet off-piste te gaan. “Ge wit ut maor nooit, mee al die landmijnen,“ zegt een Brabantse toerist.

“Dat gat heeft niets te maken met de Joegoslavische oorlogen,“ corrigeert de Sloveense Bernarda. Ze werkt als museumwacht in de kerk, thans een expositieruimte waar de geschiedenis van de regio wordt getoond. Volgens de legende werd priester Bolfenk tijdens de bouw, ruim zeshonderd jaar geleden, geholpen door de duivel. Bernarda: “Die beloofde Bolfenk dat de kerk in één dag overeind zou staan. Als tegenprestatie eiste de duivel de ziel van het eerste levende wezen dat de kerk zou betreden.“ Een dag later opende Bolfenk de deur en een wolf trad binnen. Bernarda: “De duivel reageerde woedend, hij had de ziel van een méns gewild, en hij vloog met grof geweld dwars door het dak naar buiten.“

Al is het maar een legende - volgens Bernarda is er een duidelijke parallel met de huidige ontwikkelingen rond de kerk. Bernarda: “Halen we grote investeerders binnen die in onze bergen een moderne en efficiënte ski-industrie uit de grond stampen? Of behouden we de oude charme, met alle bijbehorende ongemakken?“

Ongemakken genoeg, op de pistes van Pohorje rond de Sloveense universiteitsstad Maribor. De infrastructuur dateert uit begin jaren zestig, toen Slovenië nog deel uitmaakte van maarschalk Tito's Joegoslavische federatie. Daarin waren de Slovenen, die slechts 8 procent uitmaakten van de totale Joegoslavische bevolking, goed voor 30 procent van het bruto nationaal produkt. “In Slovenië verdienen ze het geld, wij maken het op,“ was een populair gezegde onder Kroaten, Serven en Bosniërs.

Die scheefgegroeide verhouding droeg er mede toe bij dat in 1991 Slovenië zich als eerste onafhankelijk verklaarde. Terwijl de andere deelrepublieken zich in de jaren daarna stortten in het oorlogsgeweld, zonderde Slovenië zich af van de Balkan en zocht aansluiting bij de Europese Unie.

Het natuurrijke bergstaatje (2 miljoen inwoners), inmiddels EU-lid, staat nu bijna vijftien jaar op eigen benen. De werkdrift is gebleven. Het land presteert economisch het beste van alle nieuwe lidstaten. Maar het toerisme komt maar langzaam op gang.

De gebouwen van het skicentrum van Mariborsko Pohorje, pal naast het kerkje van Bolfenk, zijn betimmerd met zwart geblakerd schrootjeshout. De trappen, die leiden naar restaurant, skischool of gondellift, zijn aangetast door betonrot. De vrouwelijke bediende in het restaurant - paars geverfd haar, vleeskleurige panties - is nog ouderwets bot. En wie aan de bar hete worstjes, cevapcici, bestelt, loopt het gevaar dat zijn skipak de rest van de vakantie stinkt naar oud vet.

“Het doet ons imago geen goed,“ verzucht Sintija Kriznic. “Toeristen denken bij Slovenië nog altijd aan Joegoslavië, aan chaos en oorlog.“ Geschiedenisstudente Sintija daalt met haar vader de Gouden Vos-piste af, die leidt van het skicentrum op 1200 meter hoogte naar het dal van Maribor. Het is zeven uur 's avonds, de piste is verlicht en opgewonden suizen jonge Slovenen, Kroaten en Hongaren op hun snowboards de berg af. Bij een oildrum met houtvuur slaan een paar op hun skischoenen wankelende Britten een zoveelste borrel achterover. Uit luidsprekers klinkt Servische turbofolk.

De Gouden Vos, die zijn naam dankt aan de talloze vossen in het berggebied, is een in moeilijkheidsgraad sterk variërende piste en trok al in de jaren zestig de aandacht van wedstrijdskiërs. In 1970 werd er de eerste officiële World Cup slalom en afdaling voor vrouwen georganiseerd.

Het zijn die weldadige jaren zeventig waaraan Sintija's vader Jani met nostalgie terugdenkt. “In de socialistische federatie was skiën voor iedereen. Fabrieken verzorgden voor hun personeel ski-accomodatie. Het geld in Tito's tijd kón niet op, we leenden het gewoon in het buitenland. Dit skigebied was destijds dan ook fantastisch geoutilleerd.“

Het achterstallige onderhoud begon volgens Jani al in de jaren tachtig, onder de voormalige Joegoslavische president Milosevic, en sindsdien is er door geldgebrek weinig verbetering gekomen. Maar Jani wil het tij keren. Boven op de berg heeft hij van een krot een luxe appartementencomplex gemaakt. Jani: “Het was vroeger een socialistisch jeugdkamp. Ik heb het voor een prikkie kunnen kopen, en heb het daarna met vrouw en dochters opgeknapt.“

Maar met privé-initiatieven zoals dat van haar vader, redt Mariborsko Pohorje het niet, vreest Sintija. “De natuur is overweldigend mooi, je hebt hier nog de ruimte en er staan geen rijen. Maar de liften zijn in slechte conditie. We hebben hard investeerders uit het buitenland nodig.“

's Avonds, in Jani's appartementcomplex Rusevec, zitten vier Sloveense stellen rond het haardvuur. De enige vrijgezel die mee op vakantie is, Bine, zit lallend met een fles brandewijn in de sauna. Later op de avond, met een handdoek om z'n middel, hangt hij een accordeon om zijn nek en speelt Sloveense liederen die zijn vrienden meebrullen.

“Bine is mee voor de avant- en après-ski,“ zegt zijn maat. “Wat hij in de tussentijd doet is me een raadsel.“ Skigebied Mariborsko Pohorje (in de Sloveense regio Stajerska) biedt 40 km groene, blauwe en rode pistes. Liften & sneeuwmachines open tot eind maart. Info: www.pohorje.si; www.maribor-tourism.si;

    • Tijn Sadée