OM in hoger beroep in zaak tegen Van A.

Justitie heeft hoger beroep aangetekend in de zaak tegen Frans van A. De chemicaliënhandelaar werd eind 2005 veroordeeld tot 15 jaar celstraf wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden in Irak en Iran.

Eerder kondigden de advocaten van Van A. al aan in hoger beroep te gaan.

Met het hoger beroep hoopt het openbaar ministerie (OM) dat Van A. alsnog voor medeplichtigheid aan genocide wordt veroordeeld, zoals het had geëist. De rechtbank achtte dat misdrijf niet bewezen en veroordeelde hem alleen voor het minder zware delict van medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden. Voor de strafmaat maakt het niet uit: voor beide delicten is vijftien jaar gevangenisstraf het maximum. .

De Nederlandse zakenman heeft in de jaren tachtig volgens de rechter op grote schaal grondstoffen voor gifgassen geleverd aan het Iraakse regime van Saddam Hussein. Dat bewind gebruikte die gifgassen om diverse Koerdische dorpen en steden in Noord-Irak te bombarderen. Daarbij vielen naar schatting vijfduizend doden. Bovendien werden de gifgassen tussen 1984 en 1988 ingezet in de oorlog tegen Iran.

Hoewel de rechtbank concludeerde dat die misdaden onder de noemer van genocide vallen, werd Van A. niet verweten dat hij daaraan een bijdrage heeft geleverd. De cruciale vraag voor de rechtbank was of Van A. op de hoogte was van de genocidale doelstellingen van het regime van Hussein. Volgens de rechter was dat niet het geval. Pas na de bombardementen op het Koerdische stadje Halabja, op 16 maart 1988, zou wereldwijd bekend zijn geworden dat Irak als doel had de Koerden te vernietigen.

Uit het vonnis bleek wel dat de rechtbank de opgelegde straf van vijftien jaar “eigenlijk te weinig“ vond voor de daden van Van A. De zakenman zou “uit louter winstbejag“ een bijdrage hebben geleverd aan de Iraakse chemische-wapenindustrie. Bovendien heeft hij nooit “spijt, inkeer of mededogen“ getoond. Het ontbrak de rechtbank aan de mogelijkheid om Van A. een hogere straf op te leggen.

De verdediging van Van A. hoopt in hoger beroep dat het OM door het hof niet ontvankelijk wordt verklaard.

Volgens de advocaten zouden de Nederlandse bedrijven KBS en Melchemie dezelfde behandeling moeten krijgen als Van A. Bovendien zouden de hoofddaders van de oorlogsmisdaden, onder wie Saddam Hussein, dezelfde berechting moeten krijgen als hun cliënt. De Haagse rechtbank verwierp deze argumenten.

Volgens Harmen van der Wilt, hoogleraar internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam, heeft de rechtbank een enge definitie van medeplichtigheid aan genocide gebruikt. In zijn opvatting was het wel degelijk mogelijk geweest om Van A. voor dat delict te veroordelen. Overigens heeft de rechter de conclusie dat er sprake is van genocide volgens hoogleraar Van der Wilt “ten overvloede“ genomen.