Mijn vak is de banaliteit

Gerard Rooijakkers (1962) is onderzoeker van de cultuur van het dagelijks leven bij het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar in de Nederlandse Etnologie aan de universiteit van Amsterdam. Vorig jaar zette hij het tijdschrift cULTUUR op, over cultuur met een kleine c.

Professor Dokter Gerard Rooijakkers van het Meertens instituut aan de UvA is een van de nieuwe leden van de Raad voor Cultuur. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

“Ik beschouw me als een leerling van de schrijver Voskuil, mijn voorganger bij het Meertens Instituut. Hij heeft me geïnspireerd volkskunde in Münster te gaan studeren. Ik wil de volkscultuur uit de spruitjeslucht, weg van de folklore en de klompendans halen. Ik bestudeer de routines van het dagelijks leven. Komend semester geef ik college over tatoeages en piercings. Daarna doe ik in Maastricht een project met sound souvenirs, over hoe mensen hun favoriete muziek samplen. Ik betrek er jonge kunstenaars bij die soundscapes maken. Twintig jaar geleden maakte jongeren cassettebandjes met hun favoriete liedjes. Tegenwoordig gaat dat op de I-pod. Dat is toch wat anders. Voskuil huiverde al als hij met de bentrekorder, zoals hij het uitsprak, op stap moest. Mijn vak is de banaliteit, zeg ik vaak.

“In de raad wil ik, als zuiderling, ook aandacht geven aan de cultuur buiten de Randstad. Joh, de moeite die ik heb om Amsterdamse studenten naar een museum in Venlo te krijgen! Die mentale afstand is enorm.

“Ik kom uit de wereld van het erfgoed, de monumenten, de musea. Verder ben ik bestuurslid van theatergroep Drie Ons in Tilburg. Het cultuurwereldje is erg verzuild. Ik zou graag de grenzen tussen het erfgoed en hedendaagse kunst slechten.

“We omhelzen de ge-esthetiseerde cultuur, maar daarbuiten is er een groot potentieel dat we niet benutten. Cultuur is in de diepste zin vormgeving van het leven, maar we hebben het gereduceerd tot een ding, een product, een voorstelling. Criminaliteit kent bijvoorbeeld allerlei culturele codes: eer en schande. Zo kan je ook tegen cultuur aankijken, als een manier van denken over identiteit. Ja, zo'n filosofie laat zich lastig vertalen in een concreet advies aan de staatssecretaris. Het gaat mij om de manier van kijken, de onbeschaamde blik die ik voorsta.

“Heel mooi in 2005 was de tentoonstelling Knus, Nederland in de jaren vijftig in het Noord-Brabants Museum. Dapper van het museum om die samen te stellen. Het wordt onderschat hoe moeilijk het is om de goede snaar te raken. Interessant was ook de tentoonstelling Het kwaad in het Tropenmuseum. In het theater ben ik een liefhebber van Hollandia. In Nageslacht, over plattelandstrauma's in Brabant, toonden ze de biografie van een groepscultuur. Dat ligt in de lijn van het documentaire theater dat ik graag zie.“