Kruipdoor-sluipdoor, heuveltje-op-heuveltje-af

De kraamkamer van de Griekse mythologie kun je Troje noemen. Op de Hisarlik-heuvel in noordoost Turkije lag ooit deze beroemde stad die werd ingenomen dankzij de list van Odysseus: een enorm houten paard met soldaten.

Al op honderd kilometer afstand merken we dat we de mythe naderen. Eén op de drie motels langs de autoweg van Edremit naar Çannakale heet Truva, de Turkse benaming voor Troje; en de streekbussen die langs zoeven zijn allemaal versierd met een gestroomlijnd houten paard. Des te onverwachter is het dat we bijna de juiste afslag missen. We keken naar links, hopend in de verte een heuvel te ontwaren. Immers, Troje lag toch op een heuvel? Maar het bordje dat de richting aangeeft is onooglijk, en de weg naar de voormalige koningsstad is niet bepaald fit for a king. Beter hadden we naar rechts kunnen kijken, want daar ligt een restaurant dat met al zijn verwijzingen naar het antieke Troje als wegwijzer fungeert. In de speeltuin staat zelfs een houten paardje.

Tien minuten rijden we door de kale vlakte van Troje, in de richting van de Dardanellen, de zeestraat die Europa van Azië scheidt en die al in het derde millennium voor Christus de bron voor de (tol)inkomsten van Troje was. We passeren het moderne toeristendorpje Tevfikiye en meteen daarna de officiële toegang tot het `Historisch Natuurpark Troje`, waar de kaartverkoopster zit te lezen in een Odysseia-bewerking van Robert Krugman - alsof ze daartoe opdracht heeft gekregen. Een kilometer verder is er een bijna lege parkeerplaats, waar we onze auto neerzetten - haastig. Want de aandacht is meteen getrokken door het reusachtige houten paard dat bij de ingang is neergezet om de bezoekende kinderen (maar ook de volwassenen) te plezieren. Met een trap kom je in de buik, van waaruit je een mooi uitzicht hebt over de resten van de stad (op een bescheiden heuvel) en de omringende vlakte. Een paar kilometer naar het westen zie je zelfs de zee, waar grote kustvaarders naar de Bosporus opstomen.

De kraamkamer van de Griekse mythen kun je Troje noemen. Hier, op de Hisarlik-heuvel in noordoost-Turkije, lag ooit de stad van de legendarische koning Priamos. Belegerd door de Griekse koning Agamemnon. Ingenomen door een list van Odysseus, die zijn mannen wist binnen te smokkelen in de buik van een houten paard. Met de grond gelijk gemaakt als wraak voor de schaking van de schone Helena door de Trojaanse koningszoon Paris. Beroemd geworden doordat de grootste helden uit de Griekse oudheid - Achilles, Patroklos, Ajax, Menelaos - tien jaar strijd leverden met de Aziatische held Hektor en zijn Trojanen. Een strijd die ook de Olympische goden hopeloos verdeelde; waarin Afrodite tegenover Hera en Athena stond, en Ares tegenover Poseidon.

Even legendarisch als de oorlog om Troje (tegenwoordig gedateerd rond 1200 v. Chr.) is de manier waarop de stad in de negentiende eeuw werd teruggevonden. Het was de Duitse koopman en amateur-archeoloog Heinrich Schliemann die in 1871 met geld uit de Krimoorlog en de Californische Goldrush op een heuvel in de Troas begon te graven. Zijn inspiratiebron was een plaatje van het brandende Troje in de Weltgeschichte für Kinder, die hij als zevenjarige als kerstcadeau had gekregen. Zulke dikke muren konden niet spoorloos verdwenen zijn, meende hij; en nog vóór zijn vijftigste verjaardag kreeg hij gelijk. Binnen een paar seizoenen, en met rigoureuze methoden - “hij groef alsof hij aardappelen rooide``, zei een tijdgenoot - vond hij vier prehistorische lagen én een enorme goudschat. Dat die `schat van Priamos` (naar het westen gesmokkeld in de sjaal van Schliemanns vrouw) duizend jaar ouder bleek te zijn dan de heerschappij van de mythische koning, mocht de pret niet drukken. Troje had bestaan, en de dichter Homeros, die een episode uit de oorlog om Helena had beschreven in zijn heldendicht Ilias, was geen fantast.

In hoeverre Schliemann gelijk had, en vooral wat er na zijn dood nog op en rond Troje is opgegraven, wordt duidelijk in het museumpje dat aan het begin van het opgravingsterrein is neergezet. Negen steden zijn er op de Hisarlik over elkaar heen gebouwd, van de vroegste nederzetting uit de Bronstijd (2500 jaar v. Chr.) tot het laat-Romeinse Ilion. Maar het is laag VIIa, de prehistorische stad die aan het eind van de 13de eeuw voor Christus verwoest werd, die geldt als het Homerische Troje. Vooral sinds de recente opgravingen van de archeoloog Manfred Korfmann, die behalve een sterke burcht ook bewijzen vond voor een uitgestrekte benedenstad en een enorm waterreservoir. Het was ook Korfmann die met behulp van luchtfotografie traceerde hoe de rivier de Skamander (bekend van Homeros` verslag van een slachting die Achilles daar aanrichtte) de baai bij Troje had laten dichtslibben. Mooie kaarten laten zien dat de vroegere havenstad al in de Middeleeuwen kilometers van zee aflag.

Aan Korfmann en zijn archeologenploeg danken we ongetwijfeld ook de voorbeeldige rondleiding, de routing, langs de opgravingen. Overal staan tweetalige borden met uitleg en plattegrondjes, die duidelijk maken op welke plaats van welke laag je je bevindt - geen overbodige luxe in de wirwar van muren en resten van huizen. De blikvanger, en dus het handigste oriëntatiepunt is een reusachtig zeil op een boogconstructie die doet denken aan de bruggen van de Spaanse architect Calatrava. Het zeil beschermt niet alleen de onlangs gereconstrueerde rode paleismuur uit Troje II (de rijkste verschijningsvorm van de stad, en de vindplaats van de goudschat), maar geeft ook precies aan hoe hoog de heuvel was toen Schliemann er 135 jaar geleden begon te graven.

Een van de ingrijpendste dingen die Schliemann deed was het hakken van een enorme sleuf (40 meter lang, 17 meter diep, 10 meter breed) in de heuvel. Het leverde hem een geweldige buit op, en ook de eeuwige ergernis van latere archeologen, die het bodemarchief vernietigd zagen. De sleuf is nog steeds te zien en eindigt midden in de heuvel bij een van de indrukwekkendste haltes van de hele opgraving: een blik op de resten van bijna alle lagen van Troje. Hier buitelen de Trojes over elkaar en heeft het geen zin te proberen te begrijpen hoe alles precies in elkaar zit. Je kijkt ernaar in stille bewondering voor de archeologen die in de afgelopen eeuwen gegraven en gereconstrueerd hebben, of in complete verwarring omdat je beseft dat het zinloos is om te proberen te bedenken waar Hektors vrouw en zoontje voor het laatst afscheid van de held namen, of waar precies het houten paard de stad kan zijn binnengereden.

Maar er is meer spectaculairs te zien op de Hisarlik. De zeven meter hoge (en toch maar half overgebleven) verdedigingsmuren van Troje I bijvoorbeeld. De imposant gerestaureerde strijdwagenopgang, die naar de burcht van Troje II voerde. De benedenstad van Troje VI en VII die door oorlog en aardbevingen van de kaart werd geveegd. De Athena-tempel uit het klassiek-Griekse Troje VIII. En de Romeinse verstevigingen van het antieke waterbassin, dat zich in een grot van poreuze steen bevindt en nu vooral door bijen bezocht wordt. Er zijn trouwens opvallend veel dieren in Troje; het stikt er - tot groot genoegen van de bezoekende kinderen - van de lieveheersbeestjes, en ook van de rondrennende rode eekhoorntjes, met staarten als Griekse helmvederbossen. Waarschijnlijk profiteert de fauna van de smaakvol aangeplante `historische` flora, die voorzien van bordjes met toepasselijke Homeros-citaten tussen de stenen staat.

En alles zie je terwijl je kruipdoor-sluipdoor, heuveltje-op-heuveltje-af langs het door Korfmann uitgezette pad loopt. Toegegeven, wij zijn er in een mooi jaargetijde (de late herfst), en op een gunstig tijdstip (tussen twaalf en twee, wanneer alle bustoeristen aan de lunch zitten); maar de rust en gratie die de Hisarlik uitstraalt, maakt het tot een van de mooiste opgravingen die we ooit hebben gezien. Hoofdschuddend denken we aan alle mensen die ons vóór onze reis naar Turkije hebben afgeraden om de omweg naar Troje te maken omdat er toch niets te zien zou zijn. Onbegrijpend sla ik de ANWB-gids op, die Troje `een hoop puin` noemt, `vooral interessant voor mensen met een groot voorstellingsvermogen`. Verontwaardigd blader ik door de `Voyager pratique`-gids van Michelin, die Troje bedeelt met een coup de gueule, oftewel een ontevreden kijkend gezichtje van een Michelin-mannetje.

Misschien is het allemaal maar beter ook. Als Troje in de Michelin-gids drie sterren zou hebben, zou het ook in de late herfst onder de voet worden gelopen door de toeristen. Nu koesteren we ons in de rust van de B-attractie. En bedenken we dat Troje op deze manier opnieuw een mythe is geworden. Eerst was het de stad van Priamos. Toen was het de stad van de amateur-archeoloog die naar eigen zeggen met Homeros in de hand aan het graven sloeg. En nu is het de bezienswaardigheid die volgens niemand het aanzien waard is. Maar zoals iedereen weet: de meeste mythes bestaan bij de gratie van de goedgelovigheid.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Kruipdoor-sluipdoor, heuveltje-op-heuveltje-af (Thema-bijlage Wereldreis, 7 januari, pagina 24) staat dat Troje in noordoost-Turkije ligt. Dat moet zijn: west-Turkije.