Het ongelooflijke project

Duizenden avonturiers hebben er naar gezocht: het fameuze goudrijk tussen de Amazone en de Orinoco. Goud is en wordt er in de omgeving zeker gevonden, maar de ware schat is bij nader inzien de natuur.

Vlak voordat de bus begint aan zijn zeven uur durende reis naar het Venezolaanse dorp El Dorado springt er op de terminal van San Félix een man in het overvolle voertuig. Hij vraagt beleefd een ogenblikje aandacht en deelt aan iedereen een zakje uit. Voor nog minder dan een euro is hij bereid ons kruiden te leveren die een probaat middel zijn tegen alle mogelijke maagkwalen, dunne ontlasting en winderigheid. Gelukkig blijkt niemand van ons zulke ongemakken te kennen en dus leveren alle passagiers het poederbuideltje weer in.

De chauffeur schakelt de cd-speler in met het volume op oorlogssterkte en vertrekt precies op tijd. De bestuurder weet van aanpakken. Hij rijdt bij voorkeur plankgas, vloekt, toetert, telefoneert en kneedt van tijd tot tijd de benen van de twee jeugdige meisjes die naast hem de beste zetel in de bus hebben gekregen. Een van hen zingt alle liedjes mee. We zijn een rijdende salsa-jukebox op weg naar de gouden stad.

Duizenden avonturiers hebben er in de zestiende eeuw in Zuid-Amerika naar gezocht. Het fameuze goudrijk dat volgens de legende goed verscholen zou liggen tussen de Amazone en de Orinoco. De eerste Spaanse veroveraars hoorden praten over een mythisch goudland waarvan de hoofdstad Manoa heette. De stad lag aan het meer Parima en werd omringd door bergen vol edelstenen die schitterden in de zon. De koning zou er zich iedere ochtend na het baden bedekken met stof van goud. Het oord is in die tijd vooral gezocht in Colombia, Ecuador en in de Guyana's. Het goud werd nooit gevonden en veel ontdekkingsreizigers stierven aan malaria, scheurbuik of verdwaalden in het oerwoud.

De buitenlandse rugzaktoerist die heden ten dage per bus vanuit de lelijke hoofdstad Caracas afzakt naar het zuiden, is op zoek naar een andere schat. En hij zal hem vinden. Richting de grens met Brazilië lonken ongerepte, vrijwel verlaten vlakten, tafelbergen en fijn fris groen oerwoud. Het stikt er van de vogels in alle kleuren en als je de tijd neemt, en een beetje geluk hebt, kan je roofdieren zien als de poema of de jaguar. Geen goud maar natuurschoon dus.

De voornaamste toeristische attractie in het gebied is `s werelds hoogste waterval: Salto Angel. Daar klettert een enorme stroom water 979 meter naar beneden. De plek is vernoemd naar de Amerikaanse piloot Jimmy Angel die de waterval in 1937 vanuit zijn vliegtuigje ontdekte. Angel was eveneens op zoek naar goud.

Wat de Venezolanen in de bus beweegt om op een loeihete zondag naar El Dorado te reizen, is nog niet eenvoudig te achterhalen. De passagiers blijken geen van allen grote praters. Iedereen kijkt nogal woest voor zich uit. Mijn veel te dikke buurvrouw van Caraïbische afkomst is niet van plan het deel af te staan dat ze van mijn plek bezet houdt. Ik zit klemvast tussen een vreemde vrouwenbil en een plastic leuning. Als ik probeer wat meer ruimte te veroveren, kijkt ze dreigend opzij.

Na een tussenstop begrijp ik iets meer van haar chagrijn. Ze is op weg naar haar zoon die al twee jaar zit opgesloten in de gevangenis van El Dorado. “Vanwege wetsschennis“, is alles wat ze erover kwijt wil. De gevangenis is een beroemde petoet - wegens het verblijf ruim zestig jaar geleden van de Franse schrijver Henri Charrière (bijgenaamd Papillon) - en doet dienst als onderkomen voor zware jongens.

De twee zwoele meisjes van voor in de bus praten giechelig cryptisch over het doel van hun reis. Maar het heeft iets te maken met het leveren van diensten aan de mijnwerkers van El Dorado. En ook zij blijken op zoek naar goud.

Want dat is het eigenaardige. Driehonderd jaar nadat de Europeanen tevergeefs zochten naar edelmetaal, is er in deze streek daadwerkelijk goud gevonden. In 1842 was het de Braziliaan Pedro Joaquin Ayres die hier letterlijk over het goud struikelde. In het huidige plaatsje El Callao lag het goud vrijwel aan de oppervlakte. Het stadje werd samen met het op twee uur rijden liggende El Dorado het centrum van de aanzienlijke goudzoekerindustrie. In 1885 werd er in een jaar tijd bijvoorbeeld al 8.000 kilo goud gewonnen.

Inmiddels moet er diep worden gegraven of langdurig gezeefd in de rivieren om goud te vinden. Maar dat weerhoudt duizenden mensen er niet van om het te zoeken. Er zijn officiële mijnen waar deels buitenlandse firma's met een concessie goud delven. Maar er zijn ook honderden plekken waar mannen op goed geluk een schop in de rotsige rode grond steken.

Proyecto Lo Increíble (het ongelooflijke project) is een van die plekken waar gelukzoekers samenscholen. De naam staat op een houten bord bij een heuvel en verwijst naar een niet meer bestaande mijn. Maar de heuvel naast de plek is nu in bezit genomen door honderden mannen. Die hebben met de meest primitieve werktuigen enorme gaten in de berg gegraven. Onderin krioelt het van de gangen. Mijnwerkers vullen er emmers met stenen die kompanen met houten katrollen ophijsen.

Het is een middeleeuws spektakel. De mannen vertellen soms maandenlang op de heuvel te blijven, want weggaan betekent dat een ander de plek overneemt. Af en toe klinkt er een enorme knal omdat iemand ergens in deze stofstenen gatenkaas een staaf dynamiet tot ontploffing brengt. Tot in de verre omtrek knappen dan de trommelvliezen. Een enkele keer wordt er gevochten door de mannen, die niet zelden te veel gedronken hebben of te veel cocaïne hebben gebruikt. Met de stenen vullen ze rieten zakken die uiteindelijk zo'n honderd kilo wegen. Verderop in de molens naast de rivier worden de stenen vergruisd. Met kwik wordt het goudgruis verzameld.

Als ze geluk hebben, houden de mijnwerkers een behoorlijk bedrag over. Maar veel van het goud wordt meteen geconsumeerd. De arbeiders kopen er drank voor of betalen er de vrouwen mee die onder aan de berg een kampement hebben ingericht en er als hoer werken.

In een voormalige woonhuis van een van de Europeanen die hier in de streek van El Callao naar goud zocht, de Zwitser Eugene Locher, is nu het goudmuseum ondergebracht. Alle uit Engeland afkomstige werktuigen die in de loop der jaren zijn gebruikt liggen in de tuin te roesten. Binnen hangen foto's waarop je Locher met zijn dochter een partijtje ziet tennissen.

,,Dit was een miljonairsdorpje'', vertelt curator Mercedes Vera. Dit was volgens haar de plek in Venezuela waar iedereen als eerste elektriciteit had, waar de eerste paardenrenbaan was en waar de eerste voetbalwedstrijd (tussen Engelsen en Fransen) werd gespeeld.

Het is in alle opzichten heel lang geleden. De streek bestaat nu uit lelijke nederzettingen. Alleen in februari is het hier leuk. Dan viert El Callao traditioneel carnaval. Een uitbundig cultureel evenement dat dankzij de uit de Caraïben aangevoerde arbeiders is ontstaan. Het carnaval is een goede tussenstop op weg naar de natuur in het zuiden en de watervallen waar je uiteindelijk het (goud)stof kunt afspoelen.