Het beste van twee werelden

Migrantenjongeren die een balans weten te vinden tussen de culturen van het oude en het nieuwe land, zijn het beste af, blijkt uit een internationale studie. De eigen achtergrond verloochenen is vragen om moeilijkheden. Dirk Vlasblom

A young man helps a Russian Christian Orthodox woman immerse herself in the chilly waters of the Jordan River in a ritual baptism 18 January 2000. More than 2000 Greek and East European Orthodox Christians who live in Israel, the West Bank and abroad, marked Epiphany, in commemoration of Jesus Christ's baptism, which according to tradition took place in this spot on the Jordan River. AFP

“Landverhuizers' heetten zij in de negentiende eeuw. Schrijvers hulden hen in een waas van romantiek: vervolging en armoede in het land van herkomst, de Grote Overtocht naar een Nieuwe Wereld, de strijd met de natuur en vijandige inheemsen, noeste arbeid, moeizame aanpassing en uiteindelijk... succes.

De landverhuizers van nu heten “migranten', de verzamelnaam voor gastarbeiders en vluchtelingen, geluks- en asielzoekers. Het begrip heeft een ongunstige klank gekregen en wordt geassocieerd met een nieuwe onderklasse, sociale wrijving en cultureel onbegrip. Als migrantenjongeren in het nieuws komen, is het vaak in de rol van malcontenten en vandalen, zoals eind november, toen in Franse banlieues de vlam in de pan sloeg. Hoe vertekend dit beeld is, blijkt uit een internationaal onderzoek onder migrantenjeugd, de Internationale Vergelijkende Studie van Etnoculturele Jongeren (ICSEY), waarvan de resultaten dit voorjaar verschijnen.

Het onderzoek veegt de vloer aan met populaire stereotypen. Zo komen jongeren van Mexicaanse afkomst - de chicanos uit Hollywoodfilms, waarin ze dikwijls figureren als onaangepaste criminelen - uit de bus als de best geïntegreerde migranten, niet alleen van hun land, de Verenigde Staten, maar van alle in het onderzoek betrokken etnische groepen. Jonge Russen in Israël, wier ouders daar ooit met open armen werden ontvangen, blijken nu de meest gemarginaliseerde groep te zijn. Chinese jongeren in Australië, hun Vietnamese generatiegenoten in Frankrijk en de VS en jonge Indiërs in Groot-Brittannië en Canada doen het op school en in de economie beter dan autochtonen van hun leeftijd. Migratie loopt vaak goed af en de wens onder jongeren te integreren in het nieuwe land is veel sterker dan publiek en politici denken.

Een internationaal gezelschap psychologen (en enkele sociologen) onderzocht de afgelopen tien jaar het welbevinden en maatschappelijk succes van migrantenjongeren van uiteenlopende herkomst in verschillende landen. Niet eerder zijn bestaande inzichten, ontleend aan onderzoek per land en per migrantengroep, op zo'n grote schaal grensoverschrijdend getoetst. Het ICSEY begon in 1996. Het eindverslag verschijnt eind maart in boekvorm onder de titel Immigrant Youth in Transition: Acculturation, Identity and Adaptation Across National Contexts.

Wie de moeite neemt zich door de gortdroge statistische analyses heen te werken, vindt verrassende resultaten. De bevindingen ondergraven de steeds populairder opvatting dat nieuwkomers “zich maar moeten aanpassen'. Want migranten die zich willen assimileren - de dominante cultuur omhelzen en de eigen cultuur afzweren - vragen om moeilijkheden, zo blijkt nu. Zij die zich integreren - zich voegen in de nieuwe samenleving zonder de eigen identiteit op te geven - zijn het beste af.

ICSEY is het resultaat van puur academische nieuwsgierigheid. Het initiatief ging uit van de Association for Cross-cultural Psychology, psychologen die cultuurvergelijkend onderzoek doen. Paul Vedder, als ontwikkelingspsycholoog verbonden aan de Afdeling Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Leiden, deed mee aan ICSEY en is medeauteur van het boek. Hij vertelt: Het idee werd geboren op een congres in 1995 en de deelnemers hebben zelf aan fondsenwerving gedaan. Overheden hebben hier niet om gevraagd. Waarom zouden ze ook? Politici zijn ingenomen met het eigen beleid en verkopen dat, zolang het niet is onderzocht, als goed tot zeer goed.“

De “metingen' aan de hand van op scholen verspreide vragenlijsten zijn uitgevoerd in de jaren 1998-2000 in 13 immigratielanden. Die landensteekproef is met de nodige zorg samengesteld. De onderzoekers onderscheidden drie soorten maatschappijen: kolonistensamenlevingen (Australië, Canada, Israël, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten), landen die ooit koloniën hadden (Duitsland, Frankrijk, Nederland, Portugal en Groot-Brittannië) en nieuwe immigratielanden (Finland, Noorwegen en Zweden). Verder is gestreefd naar variëteit in de immigratie- of migrantenpolitiek (diversity policy) en het percentage migranten (actual diversity), twee omgevingsfactoren die naar de mening van de onderzoekers van invloed zijn op de aanpassing van migranten. Aan het onderzoek deden 7.997 jongeren mee van 13 tot 18 jaar uit 36 verschillende etnische groepen, zowel kinderen van migranten als van niet-migranten. Verder vulden 3.165 ouders vragenlijsten in. Al met al een schaal waarvan sociale wetenschappers watertanden en die generaliseringen rechtvaardigt.

Het belang van het onderzoek staat buiten kijf. Volgens het Population Report 2002 van de Verenigde Naties leven 175 miljoen mensen in landen waar zij niet zijn geboren. Hun kinderen zijn goed voor bijna eenzelfde aantal. Ook als die in het nieuwe land ter wereld kwamen, worden zij beschouwd als immigranten: de zogenoemde “tweede generatie'. Migrantenjongeren groeien op in twee werelden: de eigen etnische groep en de samenleving als geheel. Dat maakt hun groei naar volwassenheid lastiger, want zij staan van twee kanten onder druk. Zij moeten zich een positie bepalen in de “nieuwe' maatschappij, maar ook tegenover de eigen groep en het land en de cultuur van herkomst. De ICSEY-onderzoekers bogen zich over een mondiaal vraagstuk, en verlegden daarbij theoretische grenzen.

Acculturatie - cultuurverandering door cultuurcontact - was heel lang het onderzoeksobject bij uitstek van westerse antropologen. In het voetspoor van bestuursambtenaren en missionarissen trokken zij naar de koloniën om niet-westerse culturen te bestuderen. Die veranderden onder druk, maar behielden een eigen, zij het aangepaste identiteit. In de cultureel opgeschudde, post-koloniale wereld van nu vervagen de grenzen tussen “westers' en “niet-westers' en daarmee tussen de traditionele werkterreinen van antropologen en sociologen. Ook psychologen buigen zich nu over acculturatie. Zij bestuderen dit proces niet bij groepen, maar bij individuen die bloot staan aan cultuurcontact, zoals migranten.

De laatste halve eeuw meenden Amerikaanse sociologen dat migranten en hun kinderen slechts twee opties hadden: zich identificeren met hun oude of met de nieuwe cultuur. In de VS kwam dat neer op wel of niet meedoen aan de American way of life. Maakten zij die keuze niet, dan zouden zij in de marge belanden. De ICSEY-onderzoekers verwerpen dit ééndimensionale model. Zij gaan ervan uit - en daarin volgen zij één van de initiatiefnemers tot het onderzoek, de Canadese psycholoog John W. Berry - dat migranten kiezen in twee dimensies: de intensiteit waarmee zij omgaan met leden van de dominante cultuur en de mate waarin zij vasthouden aan de eigen cultuur.

assimilatie

De migrant, zegt Berry, kan vier verschillende houdingen aannemen. Kiest hij voor maximaal contact met de omringende samenleving en minimaal cultuurbehoud, dan ondergaat hij assimilatie. Wenst hij minimaal contact en maximaal cultuurbehoud, dan kiest hij voor collectieve afzondering. Wil hij én maximaal contact én optimaal cultuurbehoud, dan wil hij integratie. Kiest hij ten slotte voor minimaal contact en minimaal cultuurbehoud dan gaat hij de doodlopende weg van marginalisering. De ICSEY-studie bevestigt de bruikbaarheid van dit model. Queens University in Canada, waar John Berry doceert, gaf al een half jaar voor verschijning van het boek een korte samenvatting vrij.

Berry's keuzemodel is dat van een psycholoog. Antropologen en sociologen zullen tegenwerpen dat individuen deze keuzen niet maken in het luchtledige en dat er in Berry's tweedimensionale wereld geen plaats is voor factoren als normen en instituties. Paul Vedder: Misschien zijn er wel meer dan twee dimensies en waarschijnlijk zijn er ook relevante gradaties op de dimensies te onderscheiden. Best mogelijk. Feit is dat wij die vier acculturatiehoudingen duidelijk terugvinden in onze data.“

Vedder onderzocht in het kader van ICSEY een steekproef van 294 jonge migranten uit de Randstad - Turken, Antillianen en Hindoestanen. Aanvankelijk zouden er ook Marokkanen meedoen, maar in de voorbereidingsfase bleek het te lastig die groep met vragenlijsten te benaderen.

Vedder: We stapten af van de heersende tendens in het cultuurvergelijkende psychologische onderzoek om vooral te kijken naar houdingen - oriëntaties op de samenleving en op de eigen groep. Wij combineerden die met gedragsmaten, zoals vriendennetwerken, familiebanden en taalgebruik. Eén van de opvallendste uitkomsten is dat houding, gedrag en het oordeel van jongeren over hun eigen identiteit op een fraaie manier “clusteren'. Het blijkt mogelijk in het proces van culturele aanpassing vier typen te benoemen met kenmerkende combinaties van houdingen, oriëntaties en gedrag.“ Dat zijn: het “integratietype', het “etnische type', het “nationale type' en het “diffuse type'.

middenmoot

Vedder: Jongeren die zeggen dat ze eigenlijk

Het etnische type heeft een sterke voorkeur voor oriëntatie op de eigen groep en de eigen cultuur. Het nationale type oriënteert zich geheel op de nieuwe samenleving, ten koste van de eigen cultuur. Deze jongeren zeggen dat ze assimilatie voorstaan, ze noemen zichzelf, bijvoorbeeld, Amerikanen of Nederlanders en ze gebruiken Engels of Nederlands, maar niet de eigen taal. Ze hebben vooral contacten met “nationale' jeugd, nauwelijks met jongeren uit de eigen groep, en laten zich weinig gelegen liggen aan familieverplichtingen. Ten slotte is er het diffuse type. Dat zijn jongeren die de weg kwijt zijn in de eigen én in de nationale cultuur.

De vier typen scoren heel verschillend op de onderzoeksmaten voor welbevinden en aanpassing. Vedder: Het integratietype zit het lekkerst in zijn vel en is het meest aangepast, zowel psychologisch (zelfvertrouwen, tevredenheid met het eigen leven) als maatschappelijk (schoolprestaties, sociaal gedrag). Het etnische type laat in alle migrantengroepen een grote mate van welbevinden zien, maar is minder aangepast. Het nationale type, waar de politiek zoveel mee opheeft, voelt zich niet lekker en gedraagt zich navenant. De vierde, “diffuse' groep valt overal buiten, weet zichzelf niet te positioneren en is in verwarring. Dit type rapporteert veel discriminatie-ervaringen, maar onduidelijk is in hoeverre dit is gebaseerd op werkelijke ervaringen dan wel een projectie is op de boze samenleving.“

Immigratieland Nederland - 9,9 procent van de inwoners is elders geboren - scoort volgens ICSEY qua 'diversity policy' iets boven het gemiddelde. Van de onderzochte migranten behoort 39,1 procent tot het integratietype. Dat type is het sterkst vertegenwoordigd onder jonge Hindoestanen (51,9 procent) en het zwakst onder Turkse jongeren (30,0 procent). Van de laatsten behoort 53,9 procent tot het etnische type.

Vedder: Turkse jongeren voelen zich in alle zes landen waar ze zijn onderzocht beter en zijn ook beter aangepast als ze tot het etnische type behoren. Daarmee laat deze groep een afwijkend patroon zien. Aan het onderzoek deden overigens alleen Turken in West-Europa mee, kinderen van gastarbeiders.“

De keuzen die jongeren maken, hangen nauw samen met omgevingsfactoren als etnische diversiteit en migrantenbeleid. In landen waar zowel de politiek als de burgers “multiculturalisme' nastreven, vonden de onderzoekers bij jonge migranten het sterkste integratiestreven. Vedder plaatst hier wel een kanttekening bij: Wij konden in dit grote onderzoek maar één keer meten. We weten dus niet of het verhaal niet andersom verloopt. We zijn geneigd te denken dat in een samenleving die een duidelijke multiculturele uitstraling heeft migranten zich daarnaar richten. Maar het is natuurlijk mogelijk dat die landen het getroffen hebben en migranten hebben aangetrokken die zich openstellen voor de nieuwe omgeving en zich willen integreren. Dan is het gemakkelijker voor politiek en burgers om zo'n model voor te staan. We zien wél een tamelijk sterke samenhang tussen de algemene maatschappelijke oriëntatie, in termen van omgang met migranten, en dat wat migranten doen. Dit suggereert: als de maatschappij niet goed omgaat met migranten, moet je niet gek opkijken als migranten het niet goed doen.“

noorwegen

Landen blijken te verschillen in de mate waarin migranten discriminatie-ervaringen hebben. Vedder: In een nieuw immigratieland als Noorwegen rapporteerden jongeren veel discriminatie. Conform wat we in andere landen zagen, had dit een rechtstreekse relatie met de scores voor welbevinden en sociale aanpassing. Die vielen laag uit. Daarentegen had Canada, waar 19 procent van de bewoners elders is geboren, een relatief lage discriminatie-ervaring en een hoog integratierendement.“

In het persbericht waarin Queens University de resultaten van het onderzoek samenvatte, stond het kopje “De smeltkroes werkt niet'. Dat had veel weg van een Canadese snier naar de zuiderburen. Vedder beaamt dit: De verschillen van opvatting tussen Canadezen en Amerikanen zijn groot, zeker als het gaat over de manier waarop ze met migranten omgaan. Dat verschil is nog eens op scherp gezet door “9/11'. De VS verweten Canada meteen dat haar grenzen veel te wijd open stonden. Een deel van de terroristen was via Canada de VS binnengekomen en de buren werden in de beklaagdenbank gezet. Een persbericht is overigens iets anders dan een boek. In het rapport wordt deze controverse niet uitgespeeld.“

smeltkroes

Met de spreekwoordelijke smeltkroes wordt retoriek bedreven, meent Vedder. Die term beschreef aanvankelijk een historisch proces. De VS waren een immigratieland en de gedachte leefde: wij moeten het met elkaar redden. Er was een zee aan ruimte. De eerste onderzoeken vergeleken generaties en stelden vast dat immigranten die een tijdlang in de VS leefden zich meer gedroegen als de buren dan als de mensen in de landen van oorsprong. Achteraf is beweerd dat de smeltkroes een assimilatiemodel was. Maar dat model is pas later ontwikkeld en het etiket assimilatie is er met terugwerkende kracht op geplakt. Dat is wetenschappelijk niet zuiver.''

Het ICSEY-rapport verschijnt luttele maanden na ernstige onlusten in de voorsteden van Frankrijk. Toch wijzen de Franse onderzoeksdata, die rond 1998 zijn verzameld, niet in de richting van een banlieue-brand. Vedder: De meetresultaten in Frankrijk onderscheiden zich niet sterk van die in andere westerse landen, behalve op één punt. In de deelstudies die ouders met kinderen vergelijken, zijn de ouders veelal traditioneler dan de jongeren. In Frankrijk bleken jongeren vaak traditioneler dan hun ouders; ze lieten een nog sterkere oriëntatie zien op de eigen groep. Zie je in de meeste westerse landen dat mensen zich, naargelang ze langer in een land zijn, meer gaan oriënteren op de nationale cultuur, in Frankrijk bleek die gang naar het nationale minder sterk. Het zijn graduele verschillen, maar wij vroegen ons al in 1999 af hoe dit mogelijk was. We zagen daarin geen aanwijzing dat er dingen fout gingen, omdat we wisten dat de eigen cultuur veel jongeren juist een gevoel van veiligheid en geborgenheid biedt die nodig is om überhaupt te functioneren. De verdeling van typen gaf juist een gunstig beeld: een hoog percentage op integratie gerichte jongeren en een laag percentage van het diffuse of verwarde type. Karakteristiek voor Frankrijk is dat het “nationale type' achterblijft en dat is, gezien het beleid, opvallend. De Franse migrantenpolitiek is homogeniserend, maar niet antimigrant. In dat beleid zit een omarmend motief en zo bezien scoort Frankrijk niet slecht. Het recente gelazer roept echter de vraag op of dit beleid te arrogant is, te breed, te weinig groepsspecifiek en te weinig oog heeft voor leefomstandigheden. Die vragen zijn heel interessant, maar we kunnen ze jammer genoeg niet beantwoorden.“

Afwijkingen als deze daargelaten, zijn de bevindingen van de ICSEY-studie, over de grenzen tussen landen en etnische groepen heen, robuust. Vedder: De uitkomst dat integratie voor migranten uiteindelijk het meest gunstig, maar niet vanzelfsprekend is, staat. Dat je snel aanpassen aan de nieuwe samenleving en je verder niet bekommeren om je eigen achtergrond niet werkt, is interessant, omdat dit denkbeeld nu het politieke tij mee heeft. Politici moeten zich achter de oren krabben en zich afvragen of ze kiezen voor een beleid dat kennelijk contraproductief is. De onderzoeksresultaten geven een signaal: als je trekt, moet je niet gek opkijken als de ander zich verzet. Je kunt mensen wel dwingen, maar dan moet je niet het mooiste van het leven verwachten.“

John W. Berry, Jean S. Phinney, David L. Sam and Paul Vedder, Immigrant Youth in Transition: Acculturation, Identity and Adaptation Across National Contexts, Lawrence Erlbaum Associates, Mahwah (NJ), 2006. ISBN 0-8058-5156-9 (hard cover).

    • Dirk Vlasblom