Hendrickjes hemd

Als je in Rembrandts schildersloopbaan één jaar zou mogen aanwijzen als annus mirabilis, dan zou dat alleen maar 1654 kunnen zijn. Dat is het jaar waarin hij zijn aanbeden Titiaan met diens eigen wapenen versloeg: met het naakte historiestuk (Bathseba) en het kniestuk (het portret van Jan Six). Het derde meesterwerk, Hendrickje badend, is een zuiver Nederlands genrestuk, maar in zijn vernuftige sensualiteit nog meer Rembrandt pur sang. Dit allerlieflijkst-paradoxaalste werk van deze allerparadoxaalste meester kan in materiële zin voor een echt schilderij doorgaan - het is immers een paneel - maar het heeft de intimiteit van iets wat waarschijnlijk alleen voor zíjn ogen bestemd was. Haarfijn uitgekiend als het is, wekt het de indruk van vloeiende spontaniteit. Nooit heeft Rembrandt met vastere, door instinct gestuurde hand getekend, nooit heeft hij vrijer het penseel gevoerd.

De drie meesterwerken uit 1654 hangen trouwens nauw met elkaar samen: alle drie zijn het studies in verhulling en onthulling, vertoon en begeerte, inspectie en introspectie, lichaamshouding en kunstig spel van de hand. Bij elkaar omvatten ze bijna alles wat wij ons zouden kunnen wensen, en zeker alles wat Rembrandt zich had kunnen wensen, inclusief het wezen van de schilderkunst zelf - dat hij op voor hem karakteristieke wijze virtuoos realiseert in plaats van het waanwijs te allegoriseren.

Je staat ervan te kijken dat dit allemaal mogelijk was in hetzelfde jaar waarin Rembrandt en Hendrickje - die zwanger was - zelf aan een inspectie onderworpen werden: de kerkenraad riep hen op het matje wegens hoererij en ontucht. Niet zo fraai was dat de schilder zich afzijdig hield, zodat heel de pijnlijke vernedering neerkwam op Hendrickje, die als zijn 'hoer' te schande werd gezet. Híj schildert de aantijging liever weg. Als portrettist van Six kan hij zich tot op zekere hoogte koesteren in de glans die van zijn voorname opdrachtgever afstraalt; als schilder van Bathseba wordt hij koning David, de schaamteloze bezitter van het lichaam dat hij zo liefdevol gestalte geeft. Maar het bescheiden paneeltje van Hendrickje bij het baden is - doordat het vleselijke vrijmoedigheid paart aan de zuiverste onschuld - het beste antwoord op het puriteinse gekoeioneer van de ouderlingen.

Kunsthistorici die graag in hokjes denken, stuiten hier onverbiddelijk op een schilderij dat zich niet in een genre laat vangen - het is net zo glibberig als het onderwerp. Staat Hendrickje model voor een badende Diana? Misschien, maar Rembrandt heeft dezelfde zware, in dieprood en goud geborduurde stof die hij voor Bathseba heeft gebruikt, hier over de stenige oever van de grot geworpen. Ze is dus wel historie, maar grotendeels zíjn historie. De wand van de grot of de oever van de plas is, zoals zoveel op dit schilderij, niet uitgewerkt; hij speelt geen rol in het verhaal, maar dient om de ruimte aan te geven, de diepe holte vanwaaruit de vrouw voetje voor voetje het glinsterende water in stapt, op ons toe.

En zo presteert dit paneeltje het de oude, slaapverwekkende strijd te beslechten tussen disegno (tekening) en colore (kleur), want de figuur is dan wel sculpturaal opgezet, maar haar vleselijkheid is beslist gemodelleerd door het verbluffende spel van de verf. Je zult niet gemakkelijk nóg een werk vinden - buiten de andere twee van het miraculeuze trio uit 1654 - waarin brede penseelvoering en verfijnde afwerking zo pakkend een dialoog aangaan. Rembrandt heeft een bespiegelend schilderij gemaakt, en dus is zijn behandeling van het water als spiegelend oppervlak én klare transparantie vanzelfsprekend een masterclass in vlekkeloze beheersing van de illusie, met een fabuleus vertoon van techniek op het punt waar Hendrickjes kuiten het oppervlak breken.

Dan is er die ragfijne pijpekrul die over haar rechterschouder valt, naast de donkere parel aan haar oor. Rembrandt weet door middel van schaduw de ruimte tussen haren en kaaklijn zo meesterlijk neer te zetten dat wij zien dat die volmaakte krul iets los hangt van haar schouder. Maar uiteindelijk draait het in de picturale dramatiek toch vooral om de rijke, volle penseelstreken. De brede penseelvoering in haar rechtermouw en in het centrale vlak van het hemd behoort tot de subliemste vrije-vormdemonstraties van pure energie en bravoure uit de hele geschiedenis van de kunst - alsof er een tovermiddel op het doek is gesmeerd. Maar het is ook heel precies uitgekiend: zoals Hendrickjes hemd van boven valt en van onderen tussen haar handen neerhangt - dat prikkelt de zinnen. Nuchter beschreven - het diepe decolleté, de zoom die wordt opgetild boven de donkere schaduw tussen haar dijen - zou het schilderij een schunnige indruk wekken, maar het licht gebogen hoofd, dat neigt naar een in schaduwen gehulde zedigheid, tovert een studie in lust om in een studie in liefde. En door alles heen vaart de sterkste, meest vrije hand uit de schilderkunst van de 17de eeuw. Rembrandt heeft zijn naam op het schilderij gezet, maar zijn eigenlijke signatuur ligt - net als bij Jan Six - in de wijze waarop hij de rechterhand van de geportretteerde heeft gemodelleerd, of liever, waarop hij van iedere formele modellering heeft afgezien, en ons neergekwakte tekens heeft voorgeschoteld, die alleen in de ogen van de grootste botterik 'onvoltooid' zouden kunnen heten.

Simon Schama is historicus en auteur van Rembrandt's Eyes.

Vertaling Jaap Engelsman

    • Simon Schama