Georgia`s rode aarde

In Gone with the Wind kiest Scarlett O`Hara uiteindelijk niet voor Rhett Butler, maar voor de rode aarde van Georgia. Op zoek naar de aantrekkingskracht van deze zuidelijke staat in Amerika: rijpe perziken en gekookte pinda`s.

ca. 1939 --- Vivien Leigh in --- Image by © John Springer Collection/CORBIS John Springer Collection/CORBIS

De vochtige warmte bespringt je zodra je buiten komt en verlamt iedere zin in activiteit. Als we ons niet ten doel hadden gesteld om in drie weken de zuidelijke Amerikaanse staten Georgia en South Carolina per auto te verkennen, dan hadden we ons als echte Southern Belles met een grote kan ijsthee genesteld in de schaduw op een veranda, monotoon schommelend in een schommelstoel en kijkend naar het leven dat voorbij trekt.

Maar we willen het oude zuiden ontdekken, het land van Gone with the Wind. Niet dat we - zoals volgens het toerismebureau in Atlanta vele anderen wel doen - op zoek zijn naar het landgoed Tara uit Margaret Mitchells boek (1937) en de verfilming met Vivien Leigh en Clark Gable (1939). Maar wie deze zuidelijke staten bezoekt, ontkomt niet aan de Gone with the Wind-sfeer: de vleug van verlangen onder (vooral blanke) inwoners naar de zorgeloze tijd van de plantages, daarbij de slavernij verzwijgend. Naar de tijd toen, in Mitchells woorden, Georgia nog het land was van “cavaliers en katoenvelden“, voordat de noorderlingen en zuiderlingen in oorlog raakten en “hoffelijkheid zijn laatste buiging nam“.

In vrijwel ieder stadje dat we aandoen, weten de bewoners feilloos en nog steeds verbitterd te vertellen welk spoor van vernieling Yankee-generaal William Tecumseh Sherman in 1864 achterliet op zijn weg van Atlanta naar Savanah en de Atlantische Oceaan. Miss Brenda, wier goudkleurige pijpenkrullen meedansen met elke stap die ze doet, zegt het ook eerlijk: noorderlingen wantrouwt ze nog altijd. Niet dat het onaardige mensen zijn, maar aan zuiderlingen weet je tenminste wat je hebt.

Ze leidt ons in kostuum rond op de in negentiende-eeuwse staat teruggebrachte Stately Oaks-plantage, in Jonesboro, even ten zuiden van Atlanta. Onder haar hoepelrok piept het kant uit van haar enkellange onderbroek als ze ons voorgaat op de veranda. Margaret Mitchells grootmoeder woonde op een nabijgelegen plantage en als kind werd haar regelmatig verteld over de Slag om Jonesboro, waardoor Sherman Atlanta wist af te sluiten van de buitenwereld en de stad dwong zich over te geven. Het zou een keerpunt in de oorlog zijn.

Stately Oaks geeft een goed idee van het echte plantageleven. Dat was - in tegenstelling tot wat romans en films vertellen - zwaar. Veel tijd voor zorgeloze partijtjes onder de magnoliabomen was er niet. Het huis is eenvoudig, zonder grond. Dat blijkt te komen doordat het in de jaren zeventig in twee stukken is gezaagd en verhuisd van de oorspronkelijke locatie naar de huidige plek. Het interieur is maar voor een klein deel origineel. Dat komen we vaker tegen: prachtige negentiende-eeuwse huizen die niet gerestaureerd zijn maar gerenoveerd met nieuwe materialen of zelfs - zoals de Boone-plantage nabij Charleston, waar de serie North & South werd opgenomen - in zijn geheel opnieuw opgetrokken.

Rond Atlanta is Amerika op zijn treurigst: de door de lokale toeristenbureaus aangeraden scenic route (we vermijden de Interstate-snelwegen naar het noordoosten) is een lange en hersendodende aaneenschakeling van fastfoodketens, motels, autoverkopers en supergrote supermarkten. Maar vanaf studentenstad Athens, waar popgroep R.E.M. werd geboren, maken de kaarsrechte asfaltwegen en ketens plaats voor kronkelige wegen langs boerenlandschap. De droge, rode aarde van Georgia waait op onder onze wielen, borden van kraampjes met rijpe perziken en gekookte pinda`s vechten om onze aandacht. Nog vijf mijl, nog drie mijl, nog één mijl roepen ze: de pinda`s smaken helaas naar koudgeworden, zoute en vooral melige kikkererwten. De perziken zijn daarentegen in de perzikenstaat van de VS fantastisch zoet en sappig.

Langs de Savannah-rivier zakken we over de South Carolina Heritage Trail af naar Augusta en via de katoenvelden steken we door richting Charleston, de dame van het oude zuiden van de VS en de plek waar Mitchells Rhett Butler vandaan kwam. Voor het eerst komen we hordes andere toeristen tegen. In koetsen met paarden en muilezels laten ze zich, camera`s in de aanslag, over de keitjes van het historische centrum van de stad loodsen.

Desondanks is Charleston de moeite waard: veel vooroorlogse (dé burgeroorlog natuurlijk) huizen die orkanen, branden, bombardementen van de Yankees en een aardbeving hebben doorstaan. Ze worden nog steeds door de oude families bewoond, die in de hitte verkoeling zoeken op hun piazza`s, de direct achter de voordeur en richting zeebries gebouwde veranda. Zelfs onze jeugdherberg heeft er een, inclusief hangmat! Alle deuren van de huizen komen op de piazza uit, als een natuurlijke airconditioning. Boven op het balkon zaten, verscholen tussen de blauweregen en klimop, vroeger de vrijgezelle jongedames met ontblote armen en enkels, uit de buurt van de blikken van de mannen.

Savannah is de echte belle van het zuiden: schoonheid in combinatie met de ontspannen ongecompliceerdheid van het zuiden. De stad werd in 1733 gesticht door de Britse generaal James Oglethorpe als slavenhaven aan het einde van de spoorweg, en was in 1864 het doel van generaal Shermans Mars naar de Zee. Als kerstcadeau aan president Lincoln spaarde hij de stad.

Savannah verleidt je, concludeerde John Berendt, schrijver van de bestseller Midnight in the Garden of Good and Evil (1994). En het is waar: urenlang zwerven we langs en door statige oude huizen, over pleinen met fonteinen en zitjes (Forrest Gump zat in de gelijknamige film op een van de pleintjes), en zoeken we verkoeling onder de donkere, met grijzig Spaans mos behangen eiken. Alleen het avondeten bij The Lady and Sons, het restaurant van de in de VS immens populaire televisiekok Paula Deen, weet ons van verdere expedities te weerhouden. Na het buffet van hoecakes, fried chicken, crabcakes, fried okra, fried green tomatoes en sweet potatoe and pumpkin pie, kunnen we niet meer lopen.

Van Savannah zakken we over de US-17 via St. Simons-eiland en Jekyll-eiland, het vroegere vakantieparadijs van de miljonairsfamilies Rockefeller en Vanderbilt, af naar de grens met Florida. Ibissen vliegen op uit de lichtgroene grassen van de moerassen aan de kust en de stranden lokken.

Via het Okefenokee-moeras, met krokodillen en geheimzinnig uit het moeras stekende bomen, bereiken we het gebied met de grootste concentratie plantages. Tussen Talahassee, de hoofdstad van Florida, en Thomasville liggen 71 nog operationele plantages. Na de burgeroorlog was Thomasville, aan het einde van de spoorweg en nog niet in het moerassige en malaria-gevoelige Florida, een van de weinige gemeenschappen waar Yankee-geld werd aangenomen. De noorderlingen kochten de (katoen)plantages op en veranderden ze in buitenhuizen voor de winter, waar naar hartelust geschoten kon worden op wild. Maar we hebben geen geluk: we turen uit de auto naar witte hekken die ook elders zouden kunnen staan en zien niets.

We volgen de G-49 door perziken- en pecangaarden en de antebellum-route terug richting Atlanta: van Plains, waar president Carter werd geboren, naar Macon, met het prachtige Hay House dat wordt bestempeld als `een van Amerika`s kastelen`, Juliette, waar de film Fried Green Tomatoes at the Whistlestop Cafe (1991) werd opgenomen en Eatonton, waar Joel Chandler Harris, auteur van de Broeder Konijn-verhalen, en Alice Walker, schrijfster van The Color Purple, woonden.

Bij Atlanta begint opnieuw de oneindige saaiheid van fastfoodrestaurants, autoverkopers en motels. Maar tegen die tijd begrijpen we waarom Scarlett O'Hara in Gone with the Wind niet trouw bleef aan Rhett, maar koos voor de rode aarde van Georgia.

    • Titia Ketelaar