Europese oliesector wil geen fusies

2005 was een prima jaar voor fusies en overnames in de oliesector, maar niet in Europa. Terwijl het volume aan Amerikaanse olietransacties ruimschoots verdubbelde naar 110 miljard dollar, nam het in Europa slechts toe tot 15 miljard dollar. Dat lijkt vreemd. De omstandigheden voor fusies en overnames kunnen immers nauwelijks gunstiger zijn. De olieconcerns bulken van het geld. De olieprijzen zijn hoog, maar de kosten stijgen ook, waardoor de winsten worden aangetast. En nieuwe voorraden zijn moeilijk te vinden.

Fusies lijken een voor de hand liggend antwoord op deze problemen. Door samen te gaan kunnen westerse olieconcerns hun concurrenten een slag voor blijven, de kosten terugdringen en de winsten een stimulans geven, en meer voorraden in de wacht slepen. Waarom hebben Europese oliemaatschappijen zich dan niet in de strijd geworpen? Drie factoren kunnen helpen dat te verklaren.

In de eerste plaats kennen de VS al tientallen jaren een binnenlandse productie. Daardoor is er nu een grote onafhankelijke sector van middelgrote oliebedrijven die elkaar kunnen opkopen. In Europa hebben de olievelden daarentegen van oudsher een internationale bezetting gehad. De Noordzee heeft weliswaar een aantal onafhankelijke Britse oliebedrijven voortgebracht, maar die zijn intussen bijna allemaal opgeslokt door grotere concerns. En het grootste deel van de volgende golf onafhankelijke oliebedrijven is nog te jong om serieuze overnamekandidaten op te leveren. Ironisch genoeg is de oliemarkt die het meest op die van de VS lijkt niet de West-Europese, maar die van Rusland. En net als de Amerikaanse markt zag de Russische vorig jaar een verdubbeling van de fusies en overnames naar 35 miljard dollar, door een consolidatieslag.

In de tweede plaats zijn transacties duur. De hoge olieprijzen en buitenlandse kopers met diepe zakken, zoals het Chinese CNOOC, hebben de koersen van potentiële overnamekandidaten naar grote hoogten opgedreven. Dat heeft alle oliebazen, op de meest optimistische na, afgeschrikt. De meesten van hen hebben hun tanden stuk gebeten tijdens de op bezuinigingen gerichte fusies van de jaren negentig, toen de olieprijzen een vijfde bedroegen van wat ze nu zijn. Shell heeft drie jaar geleden Enterprise Oil gekocht tegen 4 dollar per vat van zijn voorraden. In december heeft Conoco meer dan viermaal zoveel neergeteld voor de voorraden van Burlington.

Tenslotte gaven de maatschappijen de voorkeur aan hogere bestedingen aan onderzoek en productie en wilden zij liever geen voorraden kopen door overnames te doen. De uitgaven aan onderzoek en productie groeiden in 2005 met 20 procent naar bijna 200 miljard dollar, en Citigroup schat dat ze komend jaar met nog eens 14 procent zullen stijgen.

2006 zal waarschijnlijk een voortzetting van deze ontwikkelingen te zien geven, nu Europese bedrijven hun geld liever in nieuwe boorlocaties steken, zal dat in het voordeel zijn van de dienstverlenende bedrijven in de sector. Zij kunnen hun diensten ook aan westerse oliemaatschappijen verkopen. Maar de stijgende onderzoeks- en productiekosten zullen ook de winsten van de olieconcerns aantasten, en dat zal uiteindelijk resulteren in druk op de grote Europese oliebedrijven om tot transacties over te gaan.

    • John Paul Rathbone