Een onbekende Saskia

Geen grotere favoriet dan een eigen ontdekking, vooral als het een recente is. Eind maart 2004 bracht ik een magische namiddag door in het prentenkabinet van het Museum voor Schone Kunsten in Boedapest, waar ik hun dozen met Rembrandt-tekeningen doornam. Het bijzondere gevoel werd nog versterkt doordat de dozen mij werden aangereikt door Teréz Gerszi, een van de grandes dames van de Midden-Europese museumwereld, die al een kunsthistorica van naam en faam was toen ik haar veertig jaar geleden voor het eerst ontmoette.

Ik pakte steeds een blad, maakte aantekeningen en legde het dan in de andere helft van de doos.

De meeste ervan, met hun lelijk opvallende en daardoor zeer effectieve verzamelaarsstempel van Prins Nikolaus Esterházy - NE met een kroontje - kende ik wel. Maar toen kwam de verrassing. Een fantastisch levendige tekening van een vrouw, die niemand anders kon zijn dan Saskia, maar een Saskia die ik nog niet eerder was tegengekomen. Geen bucolische bloemtakjes of kostbare parels in het haar, geen herderinnenkostuum of duur brokaat. Geen kind in haar armen. En goddank geen ziekbed, geen ingevallen wangen en starende blik.

Wat haar voor mij nieuw maakte, en onweerstaanbaarder dan ooit, was het attribuut dat ze nergens anders heeft: een open boek. Saskia is hier niet het passieve object van Rembrandts schildersblik maar een persoonlijkheid die zelf kan kijken. Op deze tekening wendt zij haar hoofd weg van het boek en kijkt naar Rembrandt, naar mij, een en al aandacht. Ik moest denken aan een andere grote liefde, Constantijn Huygens' vrouw Sterre die over Constantijns schouder opkijkt van haar muziek op het dubbelportret in het Mauritshuis. Van Campens schilderij en Rembrandts tekening dateren waarschijnlijk beide uit 1635, een verwoestend pestjaar. Sterre en Saskia bleven gespaard, maar overleden jong na een bevalling, voor Nederlandse vrouwen een veel grotere doodsoorzaak dan de pest. Voor ik het wist, was ik verzonken in droevige 17de-eeuwse overpeinzingen.

'Glauben Sie dass es gut ist?', vroeg Teréz aarzelend. Meteen wist ik waarom ik de tekening in geen van die honderden Rembrandtboeken en tentoonstellingscatalogi van de laatste vijftig jaar was tegengekomen. Otto Benesch had een doodklap uitgedeeld, toen hij het blad in 1954, in zijn gezaghebbende 6-delige Drawings of Rembrandt, had gerubriceerd als 'toegeschreven'. Ik zocht hem op, nr. A (voor Attribution) 9: 'Treffend en charmant maar van Rembrandt zelf kan het niet zijn', schreef Benesch in zijn alwetendheid. 'De structuur van de lijn is niet die van Rembrandt. Zijn trefzekere vormuitbeelding ontbreekt, zoals blijkt uit de onzeker weergegeven linkerhand etc., etc.'

Die dingen zag ik ook, maar ook zag ik de hand van Rembrandt, misschien wel een Rembrandt die eventjes van zijn stuk was gebracht door zijn onderwerp. 'Ja, ik denk van wel', antwoordde ik. Teréz was gelukkig, omdat ze besloten had het blad als Rembrandt op te nemen in haar catalogus van de Nederlandse tekeningen in haar museum, die onlangs verschenen is.

Als je je op Rembrandt werpt als kunsthistoricus, dan ben je levenslang in oorlog. Het is een oorlog die je niet kunt winnen, maar je sleept er wel kostbare trofeeën vandaan.

Gary Schwartz is kunsthistoricus en auteur van Rembrandt. Zijn leven, zijn schilderijen, 1984.

    • Gary Schwartz