Drie soorten leraren

“De ambities van docenten zijn onder te verdelen in drie soorten.

Daar is de docent zonder bovengemiddelde ambitie. Die geeft les, verdient daarmee het brood op de plank en dat is het verder wel (de typische b-klant).

Dan zijn er docenten, vaker dan gemiddeld te vinden bij de bèta- en gamma-vakken, die hun vak en zichzelf extra zwaarwichtigen belangrijk denken te maken door zo min mogelijk leerlingen er wat van te laten opsteken. Alleen de kinderen die de docent in al zijn eigen wijsheid enigszins kunnen volgen en bijhouden, maken een kans er wat van te leren en er eindexamen in te doen.Deze docenten (eigenlijk a-gevallen) zien leerlingen zonder genie-kenmerken liever gaan dan komen.

En dan is er een derde categorie docenten. Zij willen zoveel mogelijk leerlingen plezier laten hebben en laten profiteren van hun vak en zo goed mogelijk laten presteren. Ze zijn gericht op zo goed mogelijke resultaten voor zo veel mogelijk leerlingen. En vaak lukt hen dat nog ook. Er uithalen wat er in zit. Met goede individuele begeleiding, maatwerk zogezegd. Deze docenten, de c-categorie,verdienen een extra streep op de jas.“

Tot zover een mailschrijfster die mij kapittelt omdat ik meen dat scholen er verstandig aan doen door leraren niet verschillend te belonen op grond van hun kwaliteit als docent. Dat schept in mijn ogen namelijk meer problemen dan dat het zou oplossen. En dat ik dit veronderstel, is omdat ik meen dat het met de verschillen tussen leraren een tikkeltje ingewikkelder is gesteld dan hier wordt gesuggereerd.

Leraren zijn in de regel leraar geworden uit liefde voor hun vak. Zoals iedereen vinden ook leraren het object van hun liefde belangrijk. Leraren die van hun vak houden hebben immers uitgesproken ideeën over hoe het moet worden gegeven, zijn bang dat het in de knel komt, hun bevlogenheid maakt hun soms blind voor andere belangen. Dat is voor degenen die het onderwijs organiseren lastig. Maar daar staat tegenover dat ze die liefde graag willen overdragen en dat is, dacht ik, toch een van de wezenskenmerken van onderwijs.

Een andere mailer meent dat de markt zijn werk zal doen. Niet de directies bepalen de salarissen maar de leraren. Als je niet tevreden bent, ga je naar een ander. Dat is waar. Zo mailt weer een ander mij dat hij daar ook inderdaad mee bezig is, probleem is alleen dat er weinig te kiezen valt als het overgrote deel van de scholen alle leraren in dezelfde schaal plaatst.

Tenslotte is er kritiek op mijn suggestie de beloning afhankelijk te maken van het niveau van de opleiding. Daar wordt tegenin gebracht dat het in andere sectoren heel gewoon is dat iemand met een middelbare opleiding hogere functies kan bekleden. Dat is waar, maar als het gaat om professionele organisaties vinden we kwalificatie op vakgebied zo cruciaal dat we dat als belangrijkste salariscriterium hanteren. Nu besef ik ook wel dat dit voor leraren maar de helft is van het verhaal. Net zo belangrijk als hun deskundigheid op vakgebied is hun betrokkenheid bij de leerlingen, hun inzet bij allerlei activiteiten, etc. Maar die laatste zou ik niet willen hanteren als criterium voor het niveau van de inschaling om de doodeenvoudige reden dat die nog wel eens willen wisselen. Onder meer omdat die mede afhankelijk zijn van leeftijd en persoonlijke omstandigheden.

Tenslotte het probleem: als het niveau van het diploma maatgevend is voor de honorering krijgen leraren in het vmbo minder betaald dan leraren in het havo/vwo, terwijl hun werk bepaald niet eenvoudiger is. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Je kunt bijvoorbeeld, zoals in het verleden ook gebeurde, meerdere lagere bevoegdheden gelijkstellen aan één hogere.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick