“Dit proces is een klassieke heksenjacht'

Advocaten Britta Böhler en Victor Koppe verdedigen twee van de veertien verdachten in het proces tegen de “Hofstadgroep'. Ze zijn bezorgd over de Nederlandse rechtsstaat, de werkwijze van de AIVD en over politici die de angst voor moslims misbruiken. “Ik wil geen aanslag bepleiten, maar het zou geen kwaad kunnen als het gevaar zichtbaar werd.'

Advocatenpaar Britta Bohler en Victor Koppe, verdedigers Hofstadgroep Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 060105 NRC H'Blad, Maurice Boyer

“Dit proces is de deprimerendste ervaring uit mijn hele carrière', zei advocaat Victor Koppe op de avond voor Kerst door de telefoon. Hij klonk verontwaardigd, terneergeslagen. De vraag was of hij na drie weken procederen wilde terugblikken op het verloop van het zogeheten Hofstadproces tot dan toe. De zittingen waren een paar uur voor het telefoongesprek wegens de feestdagen voor twee weken verdaagd. Na de jaarwisseling zou de berechting van veertien jonge moslims wegens deelname aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk worden voortgezet. “Het is een verschrikking“, zei Koppe.

Twee weken later, gezeten in een fauteuil in zijn werkkamer in het advocatenkantoor in de Amsterdamse grachtengordel, is de frustratie bij Koppe nog steeds aanwezig. Zijn kantoorgenoot Britta Böhler is niet minder verontrust.

Victor Koppe (1964) en Britta Böhler (1960) worden de politieke advocaten van Nederland genoemd. Ooit begonnen ze beiden als advocaat bij bekende kantoren. In 1995 maakten ze de overstap naar een relatief klein advocatenkantoor waar ze zich, naast de “gewone strafpraktijk' steeds meer zijn gaan toeleggen op “ideologische verdachten'. Volkert van der G., de moordenaar van Pim Fortuyn was één van hun cliënten. Krakers, actievoerders en milieuactivisten klopten altijd al bij hen aan. De laatste jaren vonden ook steeds meer buitenlandse politieke verdachten hun weg naar Koppe, Böhler en hun kantoorgenoten. Zoals de Spanjaard Juanra Rodriguez, zanger van een rockband met contacten in de Amsterdamse krakerswereld, wie werd verweten banden te onderhouden met ETA-terroristen, de Koerdische leider Abdullah -calan, het PKK-kopstuk Nuriye Kesbir en mullah Krekar, een Iraakse rebellenleider die verdacht werd van banden met terreurnetwerk Al-Qaeda en dictator Saddam Hussein. Ook de besmeurders van minister Verdonk behoorden tot hun cliëntèle.

Eind 2001 hielden Böhler, Koppe en hun kantoorgenoten een discussie over het beleid. De uitkomst was: we zijn niet voor links of rechts, we zijn voor elke burger die bescherming tegen de staat behoeft. Böhler: “Iemand zei: “Dat zouden weleens steevast moslims kunnen zijn'. Die voorspelling kwam uit. Op dit moment hebben die de meeste bescherming nodig.“

Het kantoor van Koppe en Böhler is betrokken bij álle terrorismezaken die Nederland tot nu toe heeft gekend. Ze kwamen op voor de belangen van verdachten in de eerste terreurzaak in Rotterdam, de zogeheten Jihad-zaak en de groep verdachten uit Utrecht. Ook Samir A., Nederlands bekendste “jihadist', is hun cliënt, net als Outman Ben A., medewerker van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Hij zou informatie hebben gelekt naar radicale moslims die door de dienst in de gaten werden gehouden.

Ook de zaak van Mohammed B. is hen, luttele uren na de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004, aangeboden. Ze moesten zijn zaak weigeren. Ze hadden al een cliënt in een terrorismezaak en diens belang zou kunnen conflicteren met dat van Mohammed B. In het Hofstadproces staan Böhler en Koppe twee verdachten bij.

Alle terrorismezaken hebben tot nu toe alleen maar vrijspraken opgeleverd. Tegen de veroordeling van de AIVD-medewerker tot vierenhalf jaar hebt u meteen hoger beroep aangetekend. U houdt vrijspraak dus voor mogelijk. Wat stemt u dan zo somber?

Böhler: ,,In ieder proces worden we geconfronteerd met dingen die niet deugen. Dat gebeurt zo vaak dat we de misstappen niet langer als incidenten kunnen afdoen.“

Böhler en Koppe sommen op: Kamerleden en andere politici die in de felste bewoordingen hun teleurstelling uiten, het voortdurende aanscherpen van wetten onder verwijzing naar vermeende dreiging, het steeds verdere ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van burgers, een minister die zijn macht misbruikt om individuele verdachten uit te leveren aan bevriende naties. Böhler en Koppe zijn wat gewend, maar, zo ervaren ze telkens weer: “het kan dus nog gekker'.

Koppe: ,,Na de vrijspraak van Samir A. bekritiseerden Kamerleden en ministers voor de televisiecamera's de rechter. Het kwam niet in ze op dat Samir A. onschuldig kon zijn, zoals de rechter had geoordeeld.“

Böhler: ,,Wat voor ieder ander geldt, gaat klaarblijkelijk niet op voor terrorismeverdachten. Ik had niet voor mogelijk gehouden dat bijvoorbeeld een serieuze politicus als Verhagen (Voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, red.) het principe van het rechtssysteem overboord zou gooien wanneer terrorisme aan de orde is. Verhagen is van mening dat het principe “liever tien schuldigen vrij dan een onschuldige vast' niet kan gelden voor terrorismezaken. Terwijl dit principe juist de basis is van een rechtsstaat.“

De advocaten nemen de politieke reacties te serieus om die af te doen als populisme dat alleen maar electoraal gewin moet opleveren. “Sommige weldenkende politici zien heus wel in dat het gevaar dat ze aan het volk verkopen niet reëel is. Toch verkondigen ze angst om hun politieke agenda te kunnen uitvoeren“, zegt Böhler.

Koppe: “De vrees dat door de aanslagen een ander systeem komt in Nederland, dat we moeten vrezen voor de oprukkende islam en dat de sharia hier wordt ingevoerd, is niet realistisch. Onze democratie wordt niet bedreigd. Toch komt men met steeds meer rechtshandhaving. We zagen in de jaren zeventig en tachtig in West-Duitsland dat zulke maatregelen juist niet hielpen.''

Böhler: “Ze probeerden met allerlei repressieve maatregelen terrorisme te bestrijden. De strafmaat werd verhoogd, links-radicalen werden uitgesloten van bepaalde beroepen. Het gevolg was dat de sympathie voor de RAF alleen maar groeide. Later werden de punten van de terreurorganisatie serieus genomen, er werd openlijk gedebatteerd over Duitsers die fout waren geweest tijdens het nationaal-socialistische regime. Sommige hooggeplaatste figuren moesten alsnog aftreden. Uiteindelijk heeft de RAF zichzelf opgeheven.“

Koppe: “Een andere benadering is te genuanceerd voor de politiek in Nederland. Daar scoor je niet mee.“

Böhler: “Dichter bij huis. In de jaren zeventig hadden we te maken met Molukse treinkapers en gijzelaars. Die hebben veel meer misdaden gepleegd en slachtoffers gemaakt dan alle islamitische terreurverdachten tot nu toe bij elkaar, in Nederland. Maar in hun geval werd niet geroepen om de strafmaat te verhogen. Terwijl de schuldigen werden veroordeeld en gestraft, werd ook geprobeerd in gesprek te raken met de Molukse gemeenschap. De politiek maakte toen een duidelijk onderscheid tussen de daders en de onschuldige rest. Er werd een dialoog gevoerd over de achterliggende problemen bij de acties, en over de integratie van Molukse jongeren. Dat gebeurt nu niet. Bij het moslimextremisme is er geen enkel beleid, behalve de voortdurende roep om hardere maatregelen. Maar het is een illusie dat je met verscherping van wetgeving het terrorismeprobleem kunt oplossen.“

Koppe: “Ik hield het niet voor mogelijk dat de rechtsstaat in Nederland ooit zo onder druk zou komen te staan. Maar de rechtsstaat blijkt keer op keer, millimeter na millimeter, bevochten en verdedigd te moeten worden. Dat heb ik de laatste vier jaar ondervonden. Je denkt: wat in landen als Turkije gebeurt, zal hier niet gebeuren. Je hebt het rotsvaste vertrouwen in het functioneren van de rechtsstaat. Tot nu toe heeft het systeem gefunctioneerd, maar het is geen vanzelfsprekendheid gebleken.“

Böhler: “Alle zaken overziend bespeur ik ook een gebrek aan nieuwsgierigheid bij de opsporingsapparaten. Ze rechercheren alleen op basis van informatie die ze van de AIVD hebben gekregen. Meer dan bevestiging zoeken van de informatie van de inlichtingendienst willen en doen ze niet. Een eigen onderzoek zit er niet in.“

U vertrouwt de bevindingen van de AIVD niet?

Böhler: “De AIVD bepaalt wie terrorist is en wie niet, op basis van niets. Iemand die opeens van kleding verandert, die zich traditioneel kleedt, wordt door de dienst als mogelijke terrorist beschouwd en niemand die de dienst tegenspreekt.“

Koppe: “De dienst stapelt ambtsbericht op ambtsbericht. Terwijl zo'n melding van de AIVD niet meer hoeft te betekenen dan dat er misschien “zachte' informatie is van een al dan niet betrouwbare informant.“

Böhler: “Soms gaat het zelfs om niets meer dan een samenvatting van een krantenartikel.“

Koppe: “En op basis daarvan worden mensen dan voor lange tijd opgesloten. Niemand durft daarna nog de stekker uit een zaak te trekken. Niemand wil de verantwoordelijkheid op zich nemen. Geen rechter die hen nog op vrije voeten durft te stellen voor het proces. Stel je eens voor dat er een aanslag komt. Dan maar verdachten veertien maanden vasthouden, ook al is er geen bewijs. De meeste verdachten in dit Hofstadproces werden aangehouden enkel en alleen omdat ze wel eens in de woning van Mohammed B. kwamen. That's it.“

Koppe verwijst naar de uitzending van misdaadjournalist Peter R. de Vries over de AIVD-diskettes met informatie over seksuele escapades van onder anderen Pim Fortuyn. Het viel Koppe op dat het Tweede Kamerlid Eerdmans (LPF) meteen het waarheidsgehalte van die AIVD-informatie ter discussie stelde, en dat andere politici zijn vraagtekens overnamen. “Vul moslims in op de plaats van Fortuyn en iedereen gaat ervanuit dat de informatie van de AIVD wél klopt.“

Nederland wordt verlamd door angst en gebrek aan lef bij bestuurders, betogen Koppe en Böhler. “De angst voor het onbekende, voor een mogelijke aanslag, is zo groot dat er niets positiefs gebeurt“, meent Böhler. “Er wordt geen beleid ontwikkeld, er ontstaat geen debat. Niemand weet hoe groot de terreurdreiging in Nederland werkelijk is. Ik wil geen aanslag bepleiten, maar voor het beleid en de discussie zou het geen kwaad kunnen als het gevaar zichtbaar werd.“

“Het verschil met de Verenigde Staten is dat we hier geen aanslag hebben gehad“, zegt Koppe. “Na zo'n grote dramatische gebeurtenis kwam de Amerikaanse regering met het terreurbeleid, onder meer de Patriot Act, en daarna kwam de tegenbeweging op gang. Dat gebeurt niet in Nederland.“

En de moord op Theo van Gogh dan? De schok in de samenleving leek minstens zo groot als in Amerika na 11 september.

Böhler: “De moord op Theo van Gogh is niet te vergelijken met de aanslagen in Amerika, Madrid of Londen. Hoe afschuwelijk ook, deze enkelvoudige moord heeft geen paniek in de samenleving teweeggebracht. Mensen waren niet bang om met het openbaar vervoer te reizen omdat ze ook door een aanslag getroffen kunnen worden. Van Gogh was een doelbewust uitgekozen slachtoffer, terwijl in New York, Londen en Madrid willekeurige mensen op willekeurige plekken getroffen werden.“

Koppe: “In de VS zie je nu een kentering in de publieke discussie. Journalisten stellen het terreurbeleid van de regering aan de kaak. Ook dat blijft uit in Nederland. Niemand die opkomt voor verworvenheden als vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Ook dat maakt me moedeloos.“

De advocaten klagen ook over het uitblijven van een publiek debat over het beleid ten aanzien van Irak en Palestina. In andere landen wordt daarover wel gediscussieerd. Koppe: “Iedereen weet inmiddels dat de oorlog in Irak onder valse voorwendselen is begonnen en gevoerd en toch is er nog steeds geen debat in Nederland. Zo'n publiek debat zou ervoor kunnen zorgen dat ook de groep moslims die gekeerd is tegen het beleid van Nederland zich zou kunnen herkennen in de politiek. Sommige van hun opvattingen zouden worden vertolkt in de Kamer, in het publieke domein. Het is onverstandig om bepaalde moslims af te doen als een stelletje dwazen. We moeten ze serieus nemen.“

Böhler: “In Nederland wordt gezegd: als het je hier niet bevalt, kun je vertrekken. Maar ook meningen die door de meerderheid worden afgekeurd zouden gehoord moeten worden. Bepaalde meningen zijn juist nuttig en verhelderend. Als je tegenwoordig anti-moslim bent, mag je alles zeggen, een mening die daartegenin gaat mag niet geuit worden. Zo is het not done om de aanvallen op Amerikaanse doelen in Irak goed te keuren. Het ene kamp mag alles verkondigen, de andere helemaal niets. Dit is precies wat er aan de hand is in dit proces. Als je naar onthoofdingsfilms kijkt, word je

Koppe: ,,geacht die af te keuren, je ervan te distantiëren.“

Böhler: ,,Het lijkt alsof bepaalde vrijheden zijn gereserveerd voor een grote groep terwijl de vrijheden van een kleine minderheid juist worden beknot. Klaarblijkelijk zijn bepaalde principes van de rechtsstaat minder stevig verankerd dan we allemaal denken.“

In voorgaande terrorismezaken was de aanklacht helder en duidelijk, zeggen Böhler en Koppe. De verdachten werden beschuldigd van concrete delicten, zoals beramen van aanslagen of ronselen voor de gewapende strijd, de jihad. Böhler: ,,Zelfs dat ontbreekt nu in dit Hofstadproces.'' De veertien verdachten in het Hofstadproces zouden, zo is het verwijt van justitie, een criminele organisatie met terroristisch oogmerk hebben gevormd. Drie leden worden daarnaast verdacht van wapens bezit en ronselen voor de jihad. Koppe: “De meeste jongens hebben helemaal niets misdaan en toch staan ze voor de rechter. Na veertien maanden in voorarrest te hebben gezeten.“

U maakt u zorgen over de officieren van justitie en rechters die uitsluitend vragen stellen over de religieuze beleving van de verdachten en de terminologie uit de politieke islam. Maar die jongens voeren die toch zelf aan als rechtvaardiging van hun standpunten en leefwijze?

Böhler: “Sommige verdachten gebruiken hun uitleg van de koran om het Westerse systeem te verwerpen, maar dat is nog niet strafbaar. Alleen Mohammed B. heeft een moord gepleegd die hij rechtvaardigt met zijn religieuze ideologie.“

Koppe: “En de officier van justitie zegt nu: iedereen die denkt als Mohammed B. gaat een strafbaar feit plegen, omdat die denkwijze noodzakelijkerwijs tot geweld zou leiden. Niemand realiseert zich kennelijk hoe gevaarlijk deze gedachtegang is.“

Böhler: “Onze frustratie zou enigszins verminderen als de rechtbank niet zou meegaan in de gedachtegang van justitie. Tijdens de zitting werden tot nu toe geen vragen gesteld over eventuele plannen van de zogenaamde groep, geen vragen over wie dan de baas is van de organisatie, of er opdracht is gegeven tot het voorbereiden van bijvoorbeeld een aanslag, of tot aankoop van een wapen. De wezenlijke vragen van een willekeurige strafzaak worden hier niet gesteld.“

Böhler: “Dit is een religieus proces. Deze mensen staan terecht voor en wegens hun religieuze opvattingen.“

Koppe: “De ondervraging door de officieren van justitie gaat niet verder dan wat de verdachte denkt en wie hij kent. Jammergenoeg beperkt de belangstelling van de rechters zich daar ook toe.“

Böhler: ,,Ook advocaten gaan hierin mee, zoals je kunt opmaken uit de onbegrijpelijke reactie van sommige raadslieden op de getuigenis van Samir A. Zijn verklaring zou volgens hen voldoende zijn om bewijs te leveren voor strafbare feiten. Terwijl Samir A. niets anders heeft gezegd dan dat hij de meeste jongens kende en dat hij het Westerse systeem verwerpt. Uit zijn verklaring bleek niet dat die zogenaamde groep bezig was met strafbare feiten.“

Koppe: “Het Hofstadproces wordt alleen maar op deze manier gevoerd omdat het om moslims gaat. Dit is een variant van de klassieke heksenjacht.“

Böhler knikt bevestigend.

Dit soort processen doet de samenleving geen goed, vrezen Koppe en Böhler. ,,In de omgeving van cliënten in de Jihad-zaak zagen we jongeren in rap tempo veranderen. Ze kwamen aanvankelijk nog in spijkerbroek naar de afspraak op ons advocatenkantoor, mettertijd kwamen ze in religieuze, traditionele kleding,“ zegt Böhler. “Omdat ze zien dat hun geloof terechtstaat, komen ze daar voor op“, vult Koppe aan.

In de Jihad-zaak durfde Koppe een toezegging te doen aan zijn cliënt. “Als je wordt veroordeeld, emigreer ik naar Nieuw-Zeeland“, zo had hij hem beloofd. “Uit rotsvast vertrouwen in de rechtsstaat“,' zegt Koppe. “Ik zou het in het Hofstadproces ook tegen mijn cliënt willen zeggen, maar dat durf ik niet meer.“ Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel , Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam

    • Ahmet Olgun