Dit is theedoekenland

Dit was de droom: Niels Holgersson achterna, althans, een stuk, door Skåne; hier werd deze zoon van een Zweeds keuterboertje tot kaboutertje betoverd; hier ging hij met de wilde ganzen mee. Maar `then you have a problem.`

`t Was een vruchtbaar en gemakkelijk te bewerken land, met groote vlakten, waar hij ook heen zag, en nauwelijks een zweem van bergen. `t Scheen, dat onze lieve Heer het er echt op had toegelegd te maken, dat de menschen het er goed zouden hebben. (uit: Selma Lagerlöf: `Niels Holgerssons wonderbare reis`. Vert. Margaretha Meijboom)

Op het pannendak van de boerderij wiegelt een windvaan. Een vliegende gans. Zijn vleugels en zijn kopje vangen de zon op hun groen uitgeslagen koper.

De overall van de boer hangt open, op zijn buik rust een stropdas met Goofy in juichpose. Hij spreekt ons aan. Natuurlijk spreekt hij ons aan. Het is april en dan is elk mens er één, in Skåne.

“You`re so lucky with the weather. Wat gaat u doen?“

We vertellen dat we de wandelroute `Skåne nord till syd` gaan bewandelen, Skåne van noord naar zuid. Morgen gaan we van start. Ik begin over Niels Holgersson, maar hij schudt zijn hoofd: “Then you have a problem.“

Hij vertelt van de storm in januari. Vier weken zonder stroom en telefoon. De wegen onbegaanbaar. Nee, tijdens de storm vielen er geen slachtoffers. Wel bij het opruimen, toen zijn er tien mensen omgekomen, onder vallende bomen. Hoe dan ook, grote delen van die wandelroute zijn afgesloten. En nu? Dit was de droom. Niels Holgersson achterna, althans, een stuk, door Skåne; hier werd deze zoon van een Zweeds keuterboertje tot kaboutertje betoverd; hier ging hij met de wilde ganzen mee, op de rug van de ganzerik Maarten.

Het wandeltraject Nord till Sydleden (noord-zuid-route) volgt zijn tocht zo ongeveer. Langs het Vombmeer, waar Niels en de gans Akka van Kebnekaise de strijd aanbonden met Smirre de vos. Van het noorden naar het zuiden, in de richting van het dorp Vemmenhög, waar Niels` huisje is gesitueerd.

We laten het er niet bij zitten. We informeren bij de VVV welke stukken van de Nord till Sydleden afgesloten zijn. Geen stukken, zegt de juffrouw achter de balie. De hele route is no go area. Paden zijn onvindbaar, overal blokkeren omgevallen bomen de route. Het is gevaarlijk.

Of ze mijn gedachten leest (“Ik ga lekker toch“), pakt ze onze kaart. Ze omcirkelt een immens gebied en schrijft er `not here` in. Ze laat ons beloven dat we het bos niet betreden. Ze biedt ons alternatieve routes, zonder bos.

Niemand heeft verboden om te gaan kijken. Dat doen we bij de plaats Vedema. We gaan het bos in. Sparren en dennen van zo`n 25 meter lengte liggen omver, in hun afgeknapte stammen klauwen splintervingers om hulp. Plakken uitgescheurde grond aan hulpeloze wortels. Er hangen keien tussen die wortels, mos, een halve mierenhoop.

O vloek! Wat is dit onbewandelbare bos onfatsoenlijk aantrekkelijk. Noordelijk schoon licht bespringt de paden en laat zonnevlekken achter. Rotsblokken, gewikkeld in veloursmos, wijzen de weg naar een stoere vallei met pinkelende vennen. Overal hangen bomen op scherp. De VVV-juffrouw heeft gelijk, de noord-zuid-route kan niet worden bewandeld.

Wat nu?

We gaan eerst maar eens een dag lopen door de wel opengestelde bossen rond het meer Finjasjön. We zijn nog maar net aan de wandel of ik hoor ganzen. Ganzen zeggen altijd alles dubbel, dat weet iedereen die Niels Holgersson las.

“Hier ben ik. Waar ben jij? Hier ben ik. Waar ben jij?“ Maar de grote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken.

Daar zijn de ganzen. Snel vliegen ze over, in een wenkende V, gedragen door brede vleugelslagen. Ze blijven roepen.

Wij gaan op pad.

Ook in dit lage bos hield de storm huis. We ronden een moeras vol omvergetrokken bomen. De katjes aan een languit liggende giga-wilg bloeien of er niets aan de hand is. Berken waaien niet erg om, die knappen af. Beuken zijn sterk, ze liggen zelden omver. Op plasjes in sporen en geulen liggen scherven ijs. IJspegels hangen aan de wortels van een omgewaaide boom. Er valt ijle sneeuw. De donkere vlokken zijn hommels die met het buitje meevliegen.

We steken een rivier over. Daar is het meer, Finjasjön. Het water houdt zich stil. Alleen de vogels kletsen wat. Het zou een goede rustplek zijn voor de ganzenleidster Akka en haar troep, als er niet zoveel houten vakantievilla`s omheen stonden. Hoewel: er is geen mens te zien. `s Zomers wel, vermoed ik. De roeibootjes liggen met zijn allen te wachten. De zon steekt de kop op. De winter ziet er lenters uit. De bomen zijn wel degelijk bezig groen te worden.

“Wat doen we?“ vraagt man. Het lijkt een vraag maar hij bedoelt een commando: ik moet afzien van de bossen. Of ze inderdaad eeuwig zingen zal ik dezer dagen niet uitvinden.

Ik bekijk de kaart. Dat traject door het boerenland? Ach waarom niet? Niels Holgersson hoor je alleen over bomen als hij er in moet vluchten, en van het bos houdt hij niet. Vliegt hij over een bos dan gaat hij slapen, lekker warm in het dons achter de ganzenvleugels. Als Niels naar beneden kijkt dan is het voor een soort theedoekenland. En dus doen we de -sterleden, het wandelpad rond de zuidoostelijke punt van Skåne.

Ergens in de etappe `Vitemölla-Vantalängan` vangen we de route aan. Om te beginnen krijgen we een kleine kilometer wandelcorvee langs een autoweg. “Kijk, herten“, zegt man. Twee reeën grazen in een vallei naast het pad. Het geraas van een kettingzaag laait op, maar vluchten doen ze niet. Even wenden ze hun glansneuzen in onze richting. Ze werpen een kippige blik, buigen hun halzen en eten verder.

Dan belanden we in ruim glooiend land. Ik ken dit. Maar niet zo als ik het nu zie. Ik ken het uit de lucht, door de ogen van Niels, op de rug van een gans.

,,Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden zie?“, zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te verwachten. ,,Akkers en weiden, akkers en weiden!“, riepen dadelijk de wilde ganzen, die om hem heen vlogen.

Nu belopen we vochtig zand met ingetrapte keitjes. De ingesleten paden golven als bobsleebanen en de akkers golven mee. Soms golven ze tegen elkaar in, je zou er duizelig van worden. Leeg liggen de akkers, langs rechte lijnen, in allerlei kleuren bruin en groen, soms licht, soms donkerder door het vocht, soms grauw.

Dit is land als een geruite doek, jawel, dat klopt. Uit de lucht bezien is dat overzichtelijk. Te voet besef je hoe groot die ruiten zijn. En dat die doek niet plat ligt. Die wappert.

Wijdverspreid, tussen de akkers in, rusten de hoeves. Soms zijn ze van hout, dan zijn hun muren ossenbloed-rood of maïsgeel. Vaker zijn ze van witgepleisterde baksteen. Breeduit gebouwd, in een forse U of in een fors vierkant. Ze hebben rode pannendaken of daken van stro, over de nok vastgezet met houten klemmen. Er zijn ook veel verlaten huizen, de daken stuk, de stallen verzakt. De akkers eromheen liggen vol stuivend zand en brokken steen. De route voert ons langs een `sop station`. Een vuilnisbelt. Een stel ganzen schuilt comfortabel in het watertje ernaast, tussen het zwerfplastic.

Reeksen gebarsten kastanjebomen flankeren de wegjes. In de zomer moet dat idyllisch zijn, die brede bladerkronen naast het rijpende koren. Nu in april, bij vijf graden, gure wind en open vlakte, zijn ze anders mooi. Stoer. Ze passen op ons. En op vier fazantenmannen, pikkend in de akkers, de staarten geheven. Man begint over zuurkoolschotel.

Het wordt gans.

Slapen doen we in bed & breakfast-gelegenheden in de hoeves. In kamers zonder gordijnen, met een houten vloer en uitzicht op het theedoekenland.

Het blijft alle dagen hard waaien. Tranen maken de wangen schraal. De windmolens dansen een gavotte, de schaduwen van hun wieken wijduit over de grond. Troepen ganzen moeten hergroeperen, steeds verwaaien hun formaties.

We passeren Lövestad. De serveerster in het huiskamer-eethuis, blond en een en al onvoorwaardelijke charme, draagt een schort met witte ruches overdwars. “En ook nog ferme benen“, verzucht man. Hiervoor liftte hij als 17-jarige jongen naar Zweden, op zoek naar de feiten achter het concept `blonde Zweedse vrouw`. Maar toen was zij nog lang niet geboren.

Het land blijft heuvelen en de uitzichten zijn gul. Vaak kan ik honderden meters voor me uit precies het pad volgen, op en af, omhoog, omlaag, soepel, niet steil.

Zodra de avond valt, verdwijnt de wind. Zingend stijgen de leeuweriken op, tot ze niet meer kunnen. Met vleugels en snavels toe laten ze zich vallen tot vlak boven de grond. Daar begint het stijgen en zingen opnieuw.

Via Ystad voert de -sterleden naar de kust. Achter de elzenhagen zie ik de Baltische zee. De zon geeft blinkende kussen aan het wankelende water.

In het frescoblauw erboven hangen wolken in de vorm van overvliegende ganzen, met dikke lijven en gestrekte halzen.

Maar de troep was goed geordend, en vloog met flinke vaart, en hun vleugelslagen waren sterk en krachtig. En de jongen voelde zóó`n verlangen naar hen, die wegvlogen, dat hij bijna wenschte, dat hij weer Duimelot was, die over land en zee kon rijden met een troep wilde ganzen.