Die machteloze hand

Rembrandts Zelfportret in de Frick Collection in New York is een van de mooiste die hij ooit gemaakt heeft. Het dateert uit 1658, Rembrandt is dan in de vijftig. Ik weet, net zo goed als degene die dit leest, wat een zelfportret is. Maar, hoe idioot het ook is om dat te zeggen, de volle notie van wat dat betekent was nooit tot me doorgedrongen.

Een schilder schildert zichzelf, maar hoe doet hij dat eigenlijk? Het heeft iets griezeligs. Al die tijd moet hij zichzelf aankijken, tot daar op het doek voor hem een uit verf bestaande dubbelganger ontstaan is die hij niet alleen zelf is, maar waar hij tegelijkertijd nog iets aan toevoegt, namelijk wat hij over zichzelf denkt. Degene die hem en mij nu aankijkt is een oudere man die zich als koning uit het Oosten verkleed heeft. Alles aan het schilderij is warm, donkere bruinen en goud, maar de ogen en de mond weerspreken die warmte. Het zijn de ogen en de mond van een oude man die de wereld gezien heeft, en die weet wat er niet meer te verwachten is. De dood is dan al meerdere malen door zijn leven heen gelopen, geld heeft bewezen een vluchtige materie te zijn, de mond, die veel gelachen heeft, doet dat nu niet, de ogen die behalve van de sensuele wereld van veel zelfgemaakte schittering genoten moeten hebben, kijken nu zichzelf aan met een zichzelf niet ontziende luciditeit die de droesem in zich bergt van de oude dag.

In de catalogus van het Frick Museum staat het zelfportret, zoals de meeste schilderijen, zwart-wit afgebeeld, maar achterin is in kleur een detail uit dat schilderij gelicht, de linkerhand die een koningsstaf omvat houdt.

Het is bijna griezelig om te zien met wat voor raffinement de glans van die staf en de gouden knop gesuggereerd wordt. Maar indrukwekkender nog is de suggestie van machteloosheid die van die hand uitgaat. De zittende man houdt zijn staf nauwelijks nog vast, zijn hand ligt er los omheen, de vingers zijn niet gekromd in een greep, alsof de gouden monarch op dat schilderij zijn greep op de wereld verloren heeft, en zijn ogen weten waarom. Maar daarvoor moesten die ogen eerst geschilderd worden.

Misschien ga ik in mijn autodidactische onschuld te ver, en zal de ware kenner mij uitleggen dat het allemaal een kwestie van techniek is, maar ik kan mijzelf niet helpen en kan alleen maar duizelen bij de gedachte wie hier wie aankijkt. Hoe kun je zoveel over jezelf weten, en zo diep in jezelf kijken, en vervolgens jezelf zo in tweeën splitsen, in een schilder en een geschilderde? Hoe kan iemand zijn eigen dubbelganger maken, de dagenlange sessies die daarvoor nodig zijn verdragen?

Men zegt dat hij met een spiegel werkte. Maar daar wordt het mysterie niet minder van. Dat is de technische oplossing - als het zo is - maar verklaart niets. In ieder geval niet over hoe iemand zichzelf aankijkt, laat staan waar hij zichzelf toestaat te zien, om van wat hij vervolgens schildert nog maar niet te spreken. Hekserij is het, denk ik.

Wanneer ik de oude Amsterdamse schilder in zijn ballingschap achterlaat, is het vreemd dat alles rond dat schilderij verdwenen is: het lawaai van de Amsterdamse dag buiten het atelier, de geur van de verf op zijn palet, de stemmen van de huisgenoten, het eten dat hij die dag gegeten heeft. Zijn hele bestaan is opgezogen en opgedroogd in die verf, bewaard als de autonome afdruk van een man die zichzelf tot op het het bot kende en zich overleverde aan de blikken van anderen, vreemden, die nog in geen eeuwen geboren zouden worden. Hekserij.

Cees Nooteboom is schrijver