De Tollenstwist

Ik heb een twist met twee mannen. Het zijn niet zomaar twee mannen, maar twee godfathers van de Nederlandse literatuur, twee goeroes, anchor men, of hoe je ze wil noemen. Dat komt omdat ik ooit ergens in een interview gezegd heb dat ik Hendrik Tollens een even groot dichter vind als Victor Hugo. Ik weet niet meer in welk interview ik dat gezegd heb, en ik heb geen tante of moeder die plakboeken voor me bijhoudt zodat het makkelijk in oude interviews valt na te zoeken. Het moet in een krant zijn geweest die Kees Fens en Rudy Kousbroek beiden lezen, dus misschien wel in de NRC, of in De Groene of Vrij Nederland. Maar ik weet wel zeker dat ik het ooit ergens gezegd heb en dat ik het nog meende ook, al besef ik wel dat ik in mijn ijver om de oude Nederlandse literatuur te verdedigen wel eens een lichte neiging tot hyperbolie heb. Enige maanden geleden sprak Kees Fens me er op aan, op zijn eigen, altijd even minzame manier. Het leek hem sterk overdreven om een grootheid als Hugo met de oubollige Tollens te vergelijken. Ik gaf hem gelijk voor zover het de romanschrijver Victor Hugo betrof. Hugo's Notre Dame de Paris is een onovertroffen historische roman, waar de Nederlandse schrijvers van historische romans, Jacob van Lennep, Geertruide Bosboom-Toussaint, het tegen afleggen. Er zijn scènes in Hugo's roman die in geen Nederlands boek uit de negentiende eeuw voorkomen. De ondergrondse stad vooral, met die bandieten, zigeuners en andere verworpelingen, die een eigen gebied hebben met een eigen moraal. Nergens staat zo beeldend beschreven hoe er in steden verschillende cirkels van leven over elkaar heen schuiven zonder dat die van elkaars bestaan afweten. Zoals tegenwoordig opnieuw in de banlieues geleefd wordt op een manier waarvan de Parijzenaars van het zesde district geen weet hebben. Maar de dichter Victor Hugo is niet dezelfde als de romanschrijver. De dichter vind ik niet heel bijzonder, gewoon een van de vele dichters uit de negentiende eeuw die mooi over het familieleven en de historie dichten, even aardig als Alfred Tennyson in Engeland, Theodor Körner in Duitsland en Hendrik Tollens in Nederland. Ik beloofde Fens dat ik eens een bloemlezing Tollens zou maken waaruit zou blijken dat hij werkelijk niet ten onrechte ooit de meest gelezen dichter van de negentiende eeuw was. Die belofte heb ik nog niet waargemaakt. Maar nu kreeg ik onlangs een nieuwe uitdaging.

Bij een congres sprak Rudy Kousbroek een voortreffelijke rede uit over het geheugen, Nederlands Indië en de geschiedschrijving. Na afloop kwamen wij aan de praat. Hij las, zo zei hij, mijn stukken altijd met veel plezier, maar wat ik over Hugo en Tollens gezegd had, dat kon ik toch niet waarmaken. Hij zou me eens een paar gedichten van Hugo opsturen waardoor me de schellen van de ogen zouden vallen. Kousbroek en Fens, het zijn toch werkelijk honorable men, dus er overvalt me wel een beetje paniek. Kan ik volhouden dat ik Tollens zo niet een betere, dan toch op zijn minst een evenwaardige collega van Hugo vind? Er zit niets anders op dan de handschoen op te rapen, al voel ik me toch wel een beetje als iemand van wie de plastic tas opengescheurd is en de boodschappen op de grond gevallen zijn.

Maar eerst de spelregels vaststellen van de literatuurbeoordeling. Er zijn geen regels of wetten die vast kunnen stellen of poëzie mooi is. Men kan in eerste instantie alleen op zijn eigen oordeel afgaan, en verder erop rekenen dat er een common sense ontstaat onder literatuurkenners. Wanneer tien kenners zeggen dat iets mooi is en daar op een overtuigende manier over schrijven, dan mag zoiets gelden als een algemeen oordeel. Maar uiteindelijk telt toch de eigen smaak. Het is veel makkelijker om slechte poëzie aan te wijzen. Als de beeldspraak niet klopt, de taal niet muzikaal is, de inhoud clichématig of sentimenteel is, als er taal gebruikt wordt die al duizend maal zo gebruikt is, als de gedachten te springerig zijn, dan kan een negatief oordeel veel overtuigender zijn, en algemene geldigheid krijgen. Maar het beroerde van oordelen is, dat ze ook nagepraat worden, soms decennialang, zonder dat de oordelen opnieuw geijkt worden. Ik heb de overtuiging dat dit bij Tollens gebeurd is. Natuurlijk was de man aan het eind van de negentiende eeuw oubollig, versleten vergeleken bij wat de Tachtigers deden, en vooral ook te veel door epigonen nagevolgd, om nog zeggingskracht te hebben. Maar geldt dat nu nog? Zou Tollens met zijn uitgesproken orale poëzie niet aan een herwaardering toe zijn? Bij de uitreiking van de Tollensprijs in Rijswijk wordt De overwintering der Hollanders op Nova Zembla voorgelezen. Ik heb hem nu tweemaal gehoord, eenmaal voorgedragen door Jules Deelder, eenmaal door een piepjonge actrice, en beide keren was ik aangedaan door de geweldige beeldingskracht en de dramatiek van het lange gedicht. Maar even goed als Hugo?

Ik ken niet alle poëzie van Hugo. De man leefde van 1802 tot 1885, dus had hij vele vele jaren om te schrijven. Dat deed hij dan ook. Zijn verzameld werk telt flink wat delen. Tollens had wat minder jaren. Hij leefde van 1780 tot 1856. Hij schreef heel wat minder, en alleen maar gedichten. Die staan bij elkaar in een deel dundruk. Tollens' poëzie is in de twintigste eeuw niet meer integraal herdrukt, die van Hugo is in de Pléiade opgenomen. Poëzie vergelijken is een hachelijke zaak, maar laat ik in elk geval van beide dichters eens wat regels naast elkaar zetten die wat inhoud betreft vergelijkbaar zijn.

Een gedicht over poëzie van Tollens: “Zielloos staat gij, levenloos,/ Zonder klem of zwier,/ Zangen, uit mijn hart geweld!/ Op het koud papier.' De dichter ziet hoe dood de poëzie op de bladzijden staat: “Zielloos zijt gij, levenloos,/ Noten zonder klank.' Poëzie moet gevoelvol voorgelezen worden, anders blijft ze dode kunst: “Wie te traag, te loom van bloed,/ Adem heeft noch stem,/ Roer' mijn koude zangen niet:/ Zij zijn dood voor hem.'

Hugo gaat op eenzelfde manier het publiek te lijf dat het gevoel van de kunst niet begrijpt, maar hij legt niet de schakel van de dode letter die de dichter ervaart na de creatie naar de letterlijke opleving bij de herlezing: “Le poème éploré se lamente; le drame/ Souffre, et par vingt acteurs répand à flots son âme; / Et la foule accoudée un moment s'attendrie,/ Puis reprend : “Bah ! l'auteur est un homme d'esprit,/ Qui, sur de faux héros lançant de faux tonnerres,/ Rit de nous voir pleurer leurs maux imaginaires.' Welk gedicht is beter?

Ik neem een ander onderwerp. Huiselijke poëzie. Over de dood. Hugo schrijft een twistgesprek op tussen een graf en een roos. Het graf vraagt aan de roos wat die met dauwdruppels doet, de roos wat het graf doet met degenen die in zijn altijd geopende afgrond vallen. “La rose dit : - Tombeau sombre, / De ces pleurs je fais dans l'ombre/ Un parfum d'ambre et de miel./ La tombe dit : - Fleur plaintive,/ De chaque âme qui m'arrive/ Je fais un ange du ciel!' Tollens schrijft een gedichtje bij het lijkje van een kind : “'t Kruipend rupsje, moe gekropen,/ Afgetobd in de enge cel,/ Brak zijn kluisje fladdrend open,/ Klapwiekte uit zijn dorre schel./ Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,/ Aardse damp en druk ontvlucht;/ Hoger vliegt het, hoger leeft het,/ Zat gespeeld in lager lucht./ Voedster, droog de natte wangen,/ Tuur niet op de dode pop,/ Blijf niet aan het webje hangen:/ “t Vlindertje is niet weer te vangen:/ “s Hemels englen vingen “t op.' Mooi, vind ik, die volgehouden vergelijking tussen de groei van een rups, een pop, een vlinder en de dood van een kind die de wording van een engel betekent. Welk gedicht is beter?

Natuur, met stiefmoeders hand geschapen in Nederland, maar toch, bij Tollens, zichtbaar als de ondergaande zon, de maan, de storm, het sneeuwlandschap, de wind, of de rots in zee: “De rots is klein, de zee is groot;/ De rots staat stil, de golven woelen;/ Maar tot hoe hoog en ver zij spoelen,/ Bij najaarsbui en watersnood,/ De stortvloed drijft weer van de wal,/ De rots staat onbewogen pal.' Zo dicht hij over de schemering: “Met elke aanblik om ons henen,/ Krimpt telkens de omtrek in.' Dit zijn mooie beelden, mooie contrasten. En Hugo? “La source tombait du rocher/ Goutte à goutte à la mer affreuse./ L'océan, fatal au nocher,/ Lui dit : - Que me veux-tu, pleureuse?/ Je suis la tempête et l'effroi;/ Je finis où le ciel commence.' Ik geef, zegt de bron, wat jij niet hebt : “Une goutte d'eau qu'on peut boire.' Vergelijkbare contrasten, vergelijkbaar van moraal, vergelijkbare beelden. Wie is een beter dichter? Ik zal het niet zeggen. Maar wel blijf ik zeggen, dat Tollens een beter dichter is dan men denkt.

    • Marita Mathijsen