Chef de mission sans rancune

Oud-schaatser Ed Verheijen (59) is aangesteld als chef de mission van de Nederlandse olympische ploeg bij de Winterspelen in Turijn. “Je moet eerst bukken voordat je iets kunt oprapen.“

02-01-2006, Nieuwegein. Olympische afvaardiging Turijn 2006,Chef de Mission, Ed Verheijen. foto Michael Kooren. Kooren, Michael

Toen Ed nog Eddy heette, keken miljoenen Nederlanders met de krant op schoot voor de buis gekluisterd naar het schaatsen. Het waren de tijden van “Ard en Keesie', vanaf midden jaren zestig tot midden jaren zeventig de beste allrounders ter wereld. Ze reden door weer en wind in wollen truien rondjes van 35 seconden op de tien kilometer. “Het was muisstil op straat“, vertelt Ed Verheijen in zijn vrijstaande woning in Woudenberg.

In de schaduw van Schenk en Verkerk nam hij in 1972 deel aan de Winterspelen in Sapporo. “Ik heb toen geleerd dat je in de topsport altijd een belofte moet nakomen“, luidt een levensles van de huidige chef de mission voor de Winterspelen in Turijn. “Ik wil niet natrappen, uit piëteit met oud-collega's. En ik wil mensen ook niet nodeloos beschadigen.“ Van oud zeer is geen sprake, benadrukt “het slachtoffer'. Maar toch.

Verheijen werd in Sapporo gepasseerd voor de tien kilometer, ten gunste van de olympische halfgod Schenk, die op de slotafstand zijn derde gouden medaille zou winnen. “Een koning kan niet zonder zijn prinsjes“, blikt de gediplomeerde gymleraar en schaatstrainer terug op de hete winter van 1972. Hij heeft de voorkeursbehandeling van Schenk, die zich niet had geplaatst voor de tien kilometer, met terugwerkende kracht geaccepteerd. “Ard heeft het natuurlijk dubbel en dwars waargemaakt.“

Verheijen mocht in Sapporo wel meedoen aan de 500 en 1.500 meter; niet zijn favoriete afstanden. Hij eindigde in de achterhoede. Zijn topvorm was hij door een verkeerde indeling van de trainingen op het beslissende moment kwijtgeraakt. “De tweede les die ik nooit zal vergeten: luister naar je lijf en wees er met je kop bij! Ik heb toen te veel naar mijn trainer (Leen Pfrommer, red.) geluisterd die ons als beroepsmilitair afbeulde.“

De destijds 25-jarige Verheijen was “helemaal overtraind' tijdens de Spelen. “In mijn dagboeken - die liggen nog boven op zolder - kun je teruglezen hoe ik toen in het rood reed. Verzuurde benen. Daarom ben ik zo tegen dogma's. Natuurlijk maken trainers plannen, maar waar nodig moeten ze daarvan kunnen afwijken. Ik was niet ervaren genoeg om een eigen plan te trekken, zoals Carl nu doet. Hij luistert wel naar zijn lijf, pakt op tijd rust en kan ondertussen heel goed met zijn trainer opschieten. Het een hoeft het andere niet uit te sluiten.“

Carl is de oudste zoon van Ed en nog meer dan zijn vader een stayer van formaat. De medaillekandidaat in Turijn woont in Leusden op fietsafstand van het ouderlijk huis, en komt deze zonnige wintermorgen per mountainbike onverwachts op bezoek. De gelijkenis met zijn moeder, oud-schaatsster en kernploeglid Rieneke Demming, is veel treffender dan de uiterlijke overeenkomsten met zijn vader. Junior is lang en blozend, senior is klein en kalend. Hij leerde hem van jongs af aan schaatsenrijden.

“Carl kon heel behoorlijk wielrennen, maar in die sport voelde hij zich niet thuis met al dat geduw en getrek. Hij kon ook goed voetballen, alleen heb ik hier in de buurt te veel kinderen geblesseerd zien raken, dus moest hij van ons op hockey. Het schaatsen ging helemaal vanzelf. Eerst hier op de ijsbaan, later op de ijsclub in Soest, toen naar het gewest Noord-Holland/Utrecht waar ik zijn trainer werd. Nu krijg ik hem, bijna tien jaar later, in Turijn weer onder mijn hoede. De cirkel is rond.“

Carl Verheijen reed zich via het gewest, samen met zijn streek- en generatiegenoten Sicco Janmaat en Jochem Uytdehaage, in de kernploeg van de Nederlandse schaatsbond (KNSB). Ed Verheijen over zijn zoon de laatbloeier, die nooit in Jong Oranje heeft gereden: “Onder leiding van Henk Gemser is hij in de kernploeg een poosje stil blijven staan. Het klikte gewoon niet tussen die twee. Sinds hij wordt getraind door Gerard Kemkers, boekt hij weer progressie. Nee, aan voorspellingen voor Turijn waag ik me niet, al is hij natuurlijk wel een van de medaillekandidaten. Ik moet sowieso oppassen met onze vader-zoon-relatie. In het gewest was ik zo bang Carl voor te trekken, dat we een keer zwijgend in de auto van Amsterdam naar huis gereden. Ik had hem extra hard aangepakt.“

Via het trainerschap bij het gewest en later Jong Oranje werd hij na de Spelen van 2002 aangesteld als chef de mission voor de olympische ploeg van 2006. Hij heeft veel geleerd van de problemen die zijn voorganger Leo Visser bij de vorige Spelen in Salt Lake City ondervond. Zelf was hij vier jaar geleden als familielid en algemeen bestuurslid van de KNSB aanwezig in de Utah Olympic Oval. Over een ander leermoment: “In Salt Lake was heel veel naijver tussen de trainers van de verschillende sponsorploegen. Vooral Peter Mueller (toen coach van SpaarSelect, nu bondscoach van Noorwegen, red.) dacht zich overal mee te kunnen bemoeien. De trainers hadden geen respect voor elkaar, hoewel het in Nederland nooit de gewoonte was elkaar te beschadigen. Verder sliepen de bobsleeërs apart, net als de schaatsploeg van Mueller. Nu slaapt iedereen in het olympisch dorp en krijgen we geen scheve gezichten meer.“

Verheijen noemt een ander voorbeeld van de cohesie tussen de concurrerende sponsorploegen en vertelt dat NOC*NSF de reis van Erben Wennemars naar Hamar betaalt. De sprinter uit de ploeg van Postcodeloterij gaat daar volgende week trainen met twee allrounders van TVM: Sven Kramer en Carl Verheijen. Het drietal is geselecteerd voor de ploegenachtervolging in Turijn. Met name Kramer heeft nog weinig geoefend op dit onderdeel, dat voor Nederland bij de Spelen misschien wel de kortste weg naar het hoogste podium is. “We kunnen daar samen goud halen en alle beetjes helpen“, verklaart de chef de mission.

Verheijen junior bedacht het plan vorige week na het olympisch kwalificatietoernooi in Heerenveen. Wennemars was meteen enthousiast en trok aan de bel bij de KNSB, die op zijn beurt Verheijen senior (lees: NOC*NSF) om een geldsom voor de Noorse reis van Wennemars vroeg. “Het gaat om een paar duizend euro. Een schijntje op de hele begroting en een heel nuttige investering“, weet de oud-schaatser die in zijn actieve periode eerst vijf en later vijftien gulden per dag als onkostenvergoeding kreeg.

“Daarom ben ik al op mijn 26ste gestopt“, vertelt Verheijen. Na de kweekschool ging hij naar de sportacademie, nu is hij werkzaam als conrector op een middelbare school in Amersfoort. Hij kreeg van de directie twee maanden verlof en is nu voor het eerst in zijn schaatsleven fulltime met topsport bezig.

Een flauwe glimlach verschijnt op het vriendelijke gelaat. “Ik heb heel zorgvuldig een maatschappelijke carrière moeten opbouwen. De dertigers van nu rijden nog vrolijk rond, omdat ze nog altijd heel redelijk verdienen. Zo zielig is het dus niet dat Gianni Romme, Rintje Ritsma en Gerard van Velde zich niet voor de Spelen hebben geplaatst. In mijn tijd zouden ze al lang zijn gestopt. De huidige generatie verdient veel beter - en terecht. Al zijn de topsalarissen verleden tijd. Er is nu weer sprake van normale proporties. De subtoppers hebben zelfs moeite om rond te komen.“

Zonder zichtbare rancune: “In 1966 zaten er bij het EK in Deventer 24.000 mensen, twee keer zo veel als nu in Thialf. Het voetbalprogramma in de eredivisie werd tijdens de grote schaatstoernooien geschrapt, omdat iedereen naar Ard en Keesie wilde kijken. Ons zakgeld was een schijntje vergeleken bij onze populariteit. Daarom zijn we in 1973 in dat Amerikaanse profavontuur gestapt. Het is jammerlijk mislukt, de tijd was er nog niet rijp voor. Voor die Amerikanen was het: gauw geld verdienen en snel wegwezen.“

Verheijen spreekt over een grote vooruitgang in het actuele profschaatsen en steunt de sponsorploegen in hun strijd om de logo's op de schaatspakken. Zij willen een evenredig aantal (3:3) als de geldschieters van de bond en niet (4:2) in het voordeel van de KNSB zoals nu het geval is. “Sommige mensen op het bondsbureau zullen boos worden als ik het zeg, maar ik begrijp de wensen van de sponsorploegen. Zij investeren het hele seizoen in de schaatsers en willen bij de Spelen goed zichtbaar op de televisie. Logisch toch?“

De chef de mission rekent bij de Spelen op negen medailles (twee of drie keer goud) en een plaats in de toptien van het landenklassement. Het lijken optimistische schattingen, gezien de toegenomen concurrentie uit het buitenland. “Je moet jezelf hoge doelen stellen in de topsport. Ik weet wel dat het aantal medailles van Nagano (bij de Spelen in 1998 wonnen de Nederlanders vijf keer goud, vier keer zilver en twee keer goud, red.) niet snel zal worden gehaald. Maar we hebben niet voor niets vier jaar uitgetrokken voor deze campagne. Je moet eerst bukken, voordat je iets kunt oprapen.“

Bij de kansberekening denkt Verheijen louter aan de hardrijders op de schaats. Zij hebben sinds 1980 alle medailles binnengesleept bij de Winterspelen. De bobbers, snowboarders en shorttrackers hanteren in Turijn het olympische adagium: meedoen is belangrijker dan winnen. De skiërs, schansspringers en ijshockeyers wisten zich helemaal niet te plaatsen.

“Dat ervaar ik als een persoonlijke teleurstelling“, zegt Verheijen, die drie jaar lang kriskras door Europa is gereden om de zogeheten B-sporters moed in te praten, van adviezen te voorzien en financieel bij te staan. “Ik geloof wel dat ze het gewaardeerd hebben, maar echt geholpen heeft het niet. Ik heb zelf trouwens ook genoten van de andere wintersporten. Vooral het schansspringen is spectaculair, met zo'n kleine vogel in de lucht en twintigduizend mensen bij de landing. Wauw!“

Met zijn begeleidingsteam van NOC*NSF maakt hij bij de Spelen een onderscheid tussen deelnemers, kanshebbers en medaillekandidaten. “Buiten het schaatsen hebben we op papier geen kanshebbers, alleen maar deelnemers. Ik had het graag anders gezien, maar sommigen zijn stil blijven staan in hun ontwikkeling en anderen missen het talent of de trainingsfaciliteiten. Neem de bobbers: goeie starttijden, matige eindtijden.“

Volgens Verheijen moeten de sporters en coaches zelf weten waarom ze falen of slagen. “Al mag het nooit zo zijn dat je door materiaalpech al voor de start wordt uitgeschakeld, zoals de shorttrackers. Ik zorgde er altijd voor dat mijn schaatsen goed geslepen waren. Een kwestie van professioneel met je sport bezig zijn.“

    • Jaap Bloembergen