Boterbal wijst de weg

In de Noorse bossen kom je ze tegen: trollen. Ze zijn vrijwel altijd donker en harig. Ze zijn niet noodzakelijk groot en gemeen. Meestal wel dom. Maar pas op, het kan ook een eland zijn.

De kans dat een wandelaar die in alle vroegte gaat dauwtrappen in het donkere Bråstad-bos rond het Noorse Gjøvik een mede-wandelaar tegenkomt, is vele malen kleiner dan dat hij wordt betoverd door een trol. Nu eens ligt er een rotsvast te slapen onder een deken van mos, dan weer sjokt er eentje in de verte tussen de zachtjes deinende, huizenhoge sparren. En daar, tussen de varens, wenkt daar niet een mistig trollenoog?

Mocht de betovering uit de hand lopen, dan kan een wandelaar een voorbeeld nemen aan Smør-bukk, ofwel Boterbal, een ventje dat dik is, maar ook slim, uit het gelijknamige sprookje van de sprookjesverzamelaars Peter Asbjørnsen (van oorsprong een boswachter) en de dominee Jørgen Moe (de gebroeders Grimm van Noorwegen).

Boterbal, die alleen bij zijn moeder woont in het bos, krijgt drie keer bezoek van een trollenheks. Met zilveren bestek probeert ze hem mee te lokken naar haar huis, om hem in de pan te gooien. Maar Boterbal is haar te slim af. De eerste keer dat ze hem in haar rugzak stopt, maakt ze de fout op weg naar huis te gaan uitrusten. Boterbal weet uit de rugzak te ontsnappen door er een gat in te snijden met het zilveren mesje dat hij van haar heeft gekregen. De ontvoering/ontsnapping herhaalt zich. De derde keer slaat de trollenheks het uitrusten wijselijk over en loopt ze in een keer naar huis, maar maakt daar de fout meteen naar de kerk te gaan om mensen uit te nodigen voor een feestmaal. Haar trollendochter heeft ze de opdracht gegeven om Boterbal klaar te maken. Die is zo dom, dat ze niet weet hoe ze hem moet slachten. ,,Zal ik 't even voordoen?'', vraagt Boterbal. ,,Leg je hoofd maar even op dat hakblok.'' De trollenmoeder keert terug met haar gasten, zet de soep voor die op het fornuis staat en zegt: “Smaakt heerlijk, zo'n kopje Boterbal-soep!“ Maar uit de schoorsteen, waar Boterbal zich verscholen houdt, klinkt: “Smaakt heerlijk, zo'n kopje trollendochter-soep!“ De stomverbaasde trollenheks en haar gasten gaan naar buiten en kijken naar boven. Waarop Boterbal iedereen doodgooit met stenen. “Daarna pakt hij al het goud en zilver in het huis, waardoor hij heel rijk wordt, en gaat hij terug naar huis, naar zijn moeder.“

Klein detail, waaraan je de trollenheks herkent: zij draagt haar hoofd niet zoals gewone stervelingen op haar romp, maar onder haar arm. Op de gravure van Theodor Kittelsen, die veel Noorse sprookjes van illustraties voorzag, doet haar geamputeerde nek denken aan een afgebroken tak. Haar sloffen zijn te klein, haar grote teen piept er doorheen, en haar kromme vingers lijken op een bosje oude penen.

Uitgestrekte naaldwouden heb je in Noorwegen bijna overal, maar de bossen bij Gjøvik, in de provincie Oppland, zijn bijzonder mooi, door hun ligging in de vallei rondom het Mjøsa-meer. De meeste bossen hier zijn privé-eigendom en maken dus geen deel uit van een nationaal park (zoals bijvoorbeeld het populaire, en hooggelegen Jotunheimen in het westen, of Rondane in het noorden). Het nadeel van een privébos is dat er geen bewegwijzering is en je hier en daar wordt opgeschrikt door een kale plek vanwege de houtkap. Het voordeel is dat je mag gaan en staan waar je wilt en het bos helemaal voor jezelf alleen hebt.

Vooral in de herfst, als de rood-gele berken en lijsterbessen de monotonie van de spar en grove den doorbreken, is het hier schitterend. Meestal is het kil en kraakhelder weer, soms hangen er slierten mist boven de grond, als in een Bergman-film. Alleen als je van het pad afloopt, en je een weg baant door het groene gordijn van takken, zie je dat sommige sparren een sik dragen: een vreemde, grijze begroeiing die binnenin aan de takken hangt. Met deze skjegg aan de kin willen Noorse ouders nogal eens hun kleine kinderen aan het schrikken maken.

Trollen kunnen veel vormen aannemen, maar ze zijn vrijwel altijd donker en harig. Ze zijn niet noodzakelijk groot en gemeen. Meestal wel dom. Je hebt ook lieve trollen, zoals de trollenfamilies in de kinderboeken van Rolf Lidberg. Zijn trollen lijken verdraaid veel op zigeuners, afgezien van hun ietwat gepunte oren en de staart die achter uit hun broek steekt.

“De laatste duizend jaar is de definitie van trol steeds meeveranderd met de tijd“, zegt Gunnar Knutsen, onderzoeker aan de Universiteit van Oslo. “Asbjørnsen en Moe waren in de 19e eeuw beslist niet de eersten die gewag maakten van trollen. De trol wordt vermeld in de eerste Noorse wetgeving uit de 11-de eeuw. De wetgevers van toen stelden een verbod in om trollen voor het eten uit te nodigen.“ (In die tijd, aldus Knutsen, was trol een gangbare naam voor heiden.) De folkloristische geschiedenis wordt gecompliceerd doordat trollen in de middeleeuwen in Noorwegen deels samenvielen met heksen (trolldom betekent hekserij) - zoals Boterbal al mocht meemaken.

Vraag een Noor naar een trollenverhaal, en hij begint over 'Askeladden en de eetwedstrijd met de trollen'. Ook daarin wordt een gretige trol afgetroefd door een klein jochie, genaamd Askeladden. Hij daagt de trol die hij in het bos tegenkomt uit tot een wedstrijd wie het meeste opkan. Katachtig hangt hij een tas voor zijn buik, waar hij al het eten in propt. Als hij volzit, pakt hij een mes en snijdt hij een gat in de tas, zodat hij nog meer kan eten. Als de trol volzit, raadt Askeladden hem aan hetzelfde te doen - waardoor de trol zichzelf om het leven brengt.

Behalve het Gudbrandsdal, even ten noorden van Lillehammer, komt ook het Hedalbos, dat ten zuidwesten van Gjøvik ligt, voor in een bekend eventyr (sprookje) van Asbjornsen en Moe: 'De jongens die trollen tegenkomen in het Hedalbos'. De jongens worden opgeschrikt door drie trollen, die maar één oog hebben dat ze aan elkaar doorgeven om te kunnen kijken. Als de jongens in een onbewaakt moment hun oog afpakken, stampen de trollen van woede, maar als blinden kunnen ze niets beginnen. Uiteindelijk beloven de kinderen het oog terug te geven in ruil voor goud en juwelen. De trollen gaan akkoord, en roepen een trollenvrouw om de kostbaarheden te komen brengen. De jongens krijgen al het goud, en de trollen maken dat ze wegkomen. “Sindsdien'', zo besluit het sprookje, “zijn er nooit meer trollen aangetroffen in het Hedalbos“.

Maar je kunt er nooit zeker van zijn. Wie 's nachts, bij volle maan, het eindeloze naaldbos in durft te gaan, kan nog onaangenaam verrast worden. En als het niet door een trol is, dan wel door een eland, een beest dat als hij zich bedreigd voelt buitengewoon agressief uit de hoek kan komen.

    • Viktor Frölke