Opinie

    • Youp van ’t Hek

Bandje

Laten we zeggen dat het een oestertje was of het straatcrêpje bij de
ingang van de metro. Het kan ook een virus zijn geweest. Mijn moeder zei
vroeger: “Het heerst.“ In elk geval was ik een dag hondsberoerd in Parijs
en kinderlijk blij met het drukke behang op de hotelkamer. Heerlijke
combinatie: beetje ziek en drukke fantasiemuren. Koortsig dromen, ogen open
en gezichten fantaseren. Ik telde de plafondbalken, probeerde structuren
te ontdekken en was zielsgelukkig met raar skiën op Eurosport, de
griepzender bij uitstek. Daar zenden ze sporten uit die je alleen met een
flinke dosis koorts kunt consumeren. Curling, bandy, biatlon.

Terug in de Thalys was ik nog steeds wankel. Zowel in het hoofd als in
de maag. En tot mijn vreugde zat ik ook nog eens met mijn neus naar Parijs.
Achteruitrijden dus. Tot Brussel met driehonderd kilometer per uur. Daarna
gewoon weer in het postkoetstempo van de NS. In ons treinstel zat tachtig
procent met zijn rug naar Amsterdam en ik vroeg me af hoeveel moeite het
is om de trein in de buurt van Gare du Nord even te draaien. De Thalys
schreeuwt in alle folders over z’n service en reisgemak, maar niets maakt
misselijker dan met driehonderd kilometer per uur achteruitrijden.

Mijn maag kreunde als een hardwerkende computer en mijn hoofd probeerde
in vlagen wat krant tot zich te nemen. Die Sharon had maar mazzel. Lekker
in coma, nergens last van. Verder las ik dat de burgemeester van Arnhem de
hoerenbuurt heeft gesloten. Leuk als je zelf Krikke heet. Nomen est omen.

Alleen al de mededeling dat de bar in rijtuig veertien open is maakte
me nog brakker en toen mijn dochter begon over de heerlijke
magnetronlasagne die ze daar zojuist gegeten had, probeerde ik aan andere
dingen te denken. Gelukkig viel ik in een ondiepe slaap en droomde over een
blote Mat Herben die tot gejuich van een vol Carré weggetoverd werd door
Hans Klok. Op het moment dat de illusionist liet merken dat hij de
politicus terug wilde halen ontstond er oproer. Vechten zelfs.

Toen verscheen er een stem in mijn oren. Een Belgische dankte in vier
talen op tuttige stewardessentoon via een bandje alle reizigers die ons in
Brussel-Zuid zouden gaan verlaten en dankte hen hartelijk voor het reizen
met de Thalys. Ik keek door de coupé en zag weinig bejaarden en zeker geen
demente bejaarden. Waarom dan toch die toon? In welke directievergadering
is er besloten om de clientèle op zo’n kleuterniveau toe te spreken. We
zijn toch volwassen mensen met een normale afspraak? Zij rijden en wij
betalen ervoor. Dan hoef je ons reizigers toch niet via een in een
geluidsstudio ingesproken bandje toe te spreken alsof we een roedel
verstandelijk gehandicapten onderweg naar de opname van Knoop in je zakdoek
zijn? Na Brussel-Zuid werden alle nieuwe reizigers aan boord op dezelfde
fröbelmanier hartelijk welkom geheten. Ik nam mij voor om over mijn
buurman te gaan kwijlen. Als je wordt toegesproken als randdebiel mag je
je volgens mij ook zo gedragen. De bandjesmevrouw keerde nog een aantal
malen terug en ik werd er eerlijk gezegd alsmaar vrolijker van. Vooral
omdat ze het steeds had over de mensen die ons gingen verlaten. Ons!!!
Alsof we een groep waren. Een club met een missie. In Den Haag wilde ik
opspringen om de treinverlaters op hun schouders te slaan. Ik wilde mijn
medereizigers vragen of ze iets voelden voor een fijne reünie. De
Belgische bandjesmevrouw zou dan ook komen.

“Waarom huil je?“ vroeg mijn zoon toen we het Amsterdamse Centraal
Station binnen boemelden.

“Omdat we uit elkaar gaan en we deze mensen nooit meer terugzien“,
snikte ik en zweeg abrupt om de bandjesmevrouw ons te laten danken voor het
achteruitreizen met de Thalys. Ik ben nog van de generatie die een ander
niet in de rede valt.

In de taxi naar huis vroeg de chauffeur of ik een fijne vakantie had
gehad. Ik wilde net zeggen dat Parijs leuk was, toe hij zei: “Ik zei niks,
dat was een bandje!“

    • Youp van ’t Hek